| samen sterk in arbeidsrecht

© 2018 Sprengers Advocaten
Maatwerk software door Way2Web

Afschaffen spuittoeslag

Een ondernemer houdt een onderneming in stand op het gebied van onder meer de groenvoorziening en het onderhoud van de openbare ruimte. In dat kader wordt een zogenoemde spuittoelage betaald aan medewerkers die een spuitlicentie hebben en met bestrijdingsmiddelen werken. Deze toelage is in 1997 ingevoerd ter compensatie van medewerkers voor het behalen en geldig houden van de spuitlicentie en voor het werken met gevaarlijke stoffen. In de loop der jaren is de ondernemer zelf de kosten in tijd en geld voor het behalen van de licentie voor haar rekening gaan nemen. De ondernemingsraad heeft laten weten niet in te stemmen met het voorgenomen besluit tot afschaffing van de toelage ten aanzien van het huidige personeel. Op een verzoek om vervangende instemming oordeelt de kantonrechter dat het onthouden van instemming aan het (geleidelijk) afschaffen van de spuittoeslag voor bestaande werknemers niet onredelijk is. Verder oordeelt de kantonrechter dat er geen sprake is van zwaarwegende bedrijfseconomische of bedrijfsorganisatorische redenen op grond waarvan afschaffing noodzakelijk zou zijn.

Artikel 27 lid 1 en lid 4 Wet de Ondernemingsraden
Rechtbank Zeeland West-Brabant
Afdeling kanton, locatie Breda, 6 augustus 2014
Zaak/rolnummer: 2851633 OV VERZ 14-1295

Feiten
Een van de activiteiten van de ondernemer is groenvoorziening en hierbij gaat het voornamelijk over het onderhoud van de gemeenschappelijke openbare ruimte. Tijdens deze werkzaamheden wordt ook met bestrijdingsmiddelen gewerkt. Medewerkers die een spuitlicentie hebben, ontvangen maandelijks een zogenoemde spuittoelage welke als aparte post op de loonstrook vermeld staat Deze spuittoelage is in 1997 ingevoerd ter compensatie voor het behalen en geldig houden van een spuitlicentie en voor het werken met gevaarlijke stoffen.

In de loop der jaren is de onderneming zelf de kosten in tijd en geld voor het behalen van de licentie voor haar rekening gaan nemen. De werknemers hoefden niet langer zelf geld en tijd te besteden aan het behalen van en geldig houden van de licentie. Begin 2013 is het voorgenomen besluit kenbaar gemaakt om de spuittoeslagen of te schaffen.
De ondernemingsraad heeft zich op het standpunt gesteld dat het besluit op grond-van artikel 27 WOR instemming van de or vereist en heeft de nietigheid van het inmiddels aan het personeel kenbaar gemaakte besluit ingeroepen.

De partijen hebben zich tot de bedrijfscommissie Markt II gewend. De bedrijfscommissie heeft op 12 juli 2013 overwogen dat om instemming van het besluit had moeten worden gevraagd op grond van artikel 27 lid 1 sub c WOR. Op 30 juli 2013 heeft de ondernemer aan de ondernemingsraad medegedeeld de uitvoering van het besluit op te schorten. Daarna is het besluit alsnog ter instemming aangeboden aan de ondernemingsraad. Op 13 september 2013 heeft de ondernemingsraad laten weten niet in te stemmen met het voorgenomen besluit ten aanzien van het huidige personeel, maar enkel in te stemmen ten aanzien van nieuw aan te nemen werknemers. Hierop heeft de ondernemer de kantonrechter verzocht om vervangende toestemming.

Oordeel kantonrechter
De kantonrechter is van oordeel dat het onthouden van instemming niet onredelijk is geweest. Van de ondernemingsraad wordt gevraagd om in te stemmen met het schrappen, althans binnen een termijn van drie jaar, van een voor de werknemers gunstige arbeidsvoorwaarde. Met het schrappen van deze arbeidsvoorwaarde zou een inkomensverlies van twee procent gemoeid zijn. Het vervallen van de actuele grondslag voor de spuittoeslag in de loop van jaren, neemt niet weg dat de werknemers in het verleden ten gunste van hun werkgever tijd en geld hebben geïnvesteerd in het behalen en behouden van hun spuitlicentie en dat zij met gevaarlijke bestrijdingsmiddelen hebben gewerkt. Gelet hierop is het onthouden van toestemming aan het (geleidelijk) afschaffen van de spuittoeslag voor bestaande werknemers niet als onredelijk aan te merken.

De kantonrechter beoordeelt vervolgens of het besluit tot afschaffing van de spuittoeslag de toets van zwaarwegende bedrijfsorganisatorische, bedrijfseconomische of bedrijfssociale redenen kan doorstaan. In dat kader heeft de ondernemer aangevoerd dat er sprake is van zwaarwegende bedrijfssociale redenen vooral vanwege de (inkomens-) ongelijkheid tussen vergelijkbare groepen werknemers.

De kantonrechter volgt hier echter de mening van de ondernemingsraad, te weten dat van een vergelijkbare groep werknemers geen sprake is. Immers de 26 werknemers die de spuittoeslag thans ontvangen, hebben in hun eigen tijd een licentie behaald en geldig gehouden en hebben deze toelage verworven in een tijd dat de bestrijdingsmiddelen schadelijker waren dan tegenwoordig. In die zin onderscheiden zij zich van werknemers die na 2012 in dienst zijn gekomen of in de toekomst nog in dienst zullen kornen.

Aangaande de zwaarwegende bedrijfseconomische omstandigheden overweegt de kantonrechter dat onweersproken is dat met het afschaffen van de spuittoeslag een bezuiniging van, € 10.600 wordt bereikt. De ondernemer heeft naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende gesteld en onderbouwd dat er sprake is van een zwaarwegende bedrijfseconomische reden op grond waarvan deze bezuiniging noodzakelijk is. Daarbij is meegewogen dat de ondernemingsraad ter zitting onweersproken heeft gesteld dat het jaar 2013 met een positief resultaat is afgesloten. Omdat ook van zwaarwegende bedrijfsorganisatorische redenen geen sprake is, wijst de kantonrechter het verzoek van de ondernemer af.

Aantekening
Ingevolge artikel 27 lid 4 WOR geeft de kantonrechter aan de ondernemer slechts toestemming om het besluit waarmee de ondernemingsraad niet heeft willen instemmen alsnog te nemen, indien de beslissing van de ondernemingsraad om geen instemming te geven onredelijk is, dan wel het voorgenomen besluit van de ondernemer gevergd wordt door zwaarwegende bedrijfsorganisatorische, bedrijfseconomische of bedrijfssociale redenen. Er zijn dus twee ankers waarvoor de ondernemer in een dergelijke procedure kan gaan liggen.

Let op
De vervangende toestemming wordt door de kantonrechter slechts verleend indien de beslissing van de ondernemingsraad om geen instemming te geven onredelijk is, zo luidt het eerste criterium. Dit betekent dus dat indien zowel de argumenten van de ondernemingsraad als die van de ondernemer redelijk zijn, de kantonrechter geen toestemming zal verlenen. De argumenten van de ondernemer dienen redelijker te zijn dan die van de ondernemingsraad.

Datum
22 september 2014

Rechtsgebied
Arbeidsrecht

Geplaatst in
Raad van Medezeggenschap – Arbeidsvoorwaarden – september 2014 pag. 15-16

Nieuwsbrief

Meer informatie