| samen sterk in arbeidsrecht

© 2018 Sprengers Advocaten
Maatwerk software door Way2Web

Behoefte aan scholing en onwillige bestuurder

Behoefte aan scholing en onwillige bestuurder   Onze or wil graag af en toe een cursus volgen die specifiek gericht op medezeggenschap. Tot nu toe heeft onze or nog nauwelijks scholing gehad. Wij menen dat een cursus om onze kennis bij te spijkeren meer dan welkom is. Op die manier kunnen wij ons or-werk beter doen en kunnen wij ook meer invloed uitoefenen. Onze bestuurder doet erg moeilijk over deze wens en wil geen afspraken maken over de hoeveelheid tijd die de or mag besteden aan scholing. Welke rechten hebben wij op dit punt?

Het scholingsrecht van de or-leden is vastgelegd in art. 18 WOR. Conform dat artikel is de ondernemer verplicht om de leden van de or in de gelegenheid te stellen om – tijdens werktijd en met behoud van loon – de scholing en vorming te ontvangen die zij voor de vervulling van hun taak nodig achten. De ondernemer en or stellen in onderling overleg het aantal dagen voor scholing vast. Voor or-leden geldt een wettelijk minimum van ten minste vijf dagen per jaar aan de scholing en vorming. Het kan handig zijn om middels een jaarplanning de afspraken over de tijdstippen van de scholing vast te leggen. Het uitgangspunt is dat de gemaakte afspraken moeten worden nagekomen.

Onze bestuurder blijft zeggen het een bezwaar te vinden dat de or-leden wegens die scholing gedurende werktijd weg zijn en vindt bovendien de kosten hoog. Wat kan de or doen als er geen overeenstemming wordt bereikt over deze scholingswens?

Indien de or en de ondernemer het samen niet eens worden over de vaststelling van het aantal uren/dagen aan scholing die nodig zijn voor de vervulling van de taak van de or, kunnen beide partijen de hulp van de kantonrechter inroepen. De kantonrechter kan worden verzocht te bepalen dat de andere partij meewerkt aan de vaststelling van het aantal uren/dagen voor scholing. Voordat de or of de ondernemer zich tot de kantonrechter richt moet eerst advies en bemiddeling bij de bedrijfscommissie worden gevraagd.

Zijn de kosten een argument voor de ondernemer om ons te verbieden scholing te volgen?
In principe moeten de gemaakte afspraken worden nagekomen. De kosten kunnen geen argument zijn, tenzij de ondernemer in slecht financieel weer verkeert. Verder moeten de kosten van de scholing niet dermate exorbitant hoog zijn, dat deze redelijkerwijs niet meer noodzakelijk kunnen worden geacht voor de vervulling van de taak van de or. In het algemeen geldt verder dat de or het risico loopt om persoonlijk voor deze kosten te moeten opdraaien als de or – ondanks het door de ondernemer gemaakte bezwaar – zelfstandig kosten maakt voor scholing en niet eerst het oordeel van de kantonrechter vraagt. De or-leden riskeren dan persoonlijk voor deze kosten te opdraaien indien achteraf in rechte komt vast te staan, dat deze kosten inderdaad in redelijkheid niet noodzakelijk konden worden geacht.

Ter illustratie een slecht voorbeeld
Een voorbeeld van hoe het niet moet is de een zaak van de kantonrechter te Almelo waarin de or-leden al een paar jaar geen cursussen hadden gevolgd. Er was wel overleg gevoerd maar geen concrete toestemming van ondernemer om met een extern bedrijf een scholingsovereenkomst te sluiten. Desondanks volgen de or-leden een cursus. De werkgever sommeert de leden de scholingsactiviteiten onmiddellijk te staken. Uiteindelijk worden de or-leden geschorst en krijgen een officiële waarschuwing. Na overleg wordt de schorsing opgeheven. De kantonrechter stelt dat het voor de hand had gelegen dat de or de kantonrechter had gevraagd een maatregel te treffen voor de gewenste scholingsactiviteiten. De rechter vindt dat de or ongelukkig heeft gehandeld, maar ook dat werkgever met de schorsing niet gelukkig heeft gereageerd. Uiteindelijk adviseert de kantonrechter de partijen om met elkaar te gaan overleggen hoe op praktische wijze invulling moet worden gegeven aan het wettelijke recht van de or op passende periodieke scholing. Daaronder vallen ook afspraken over de kosten. De kantonrechter eindigt zijn uitspraak met de opmerking dat een ondernemer er groot belang bij heeft dat de or kan beschikken over bekwame leden die geleerd hebben wat wel kan en niet behoort. Dat lijkt mij het juiste argument om de ondernemer zover te krijgen om goede afspraken te maken over de scholingsdagen en de bekostiging daarvan.

Datum
1 november 2010

Rechtsgebied
Medezeggenschapsrecht

Geplaatst in
Rubriek ‘Gabi geeft antwoord’ in: OR Informatie november 2010, 11, p. 21

Nieuwsbrief

Meer informatie