| samen sterk in arbeidsrecht

© 2018 Sprengers Advocaten
Maatwerk software door Way2Web

Besluit tot geringe organisatiewijziging onredelijk

Binnen de Amsterdamse vestiging van een internationale onderneming wordt advies gevraagd ter zake van het voorgenomen, besluit om een tweetal functies binnen een subafdeling te laten vervallen en de bijbehorende taken op te laten gaan in de andere functies binnen de eigenlijke afdeling. De ondernemingsraad heeft negatief geadviseerd. De or mist het grotere plaatje, een evaluatierapport en duidelijkheid op (hogere) werkbelasting, die het gevolg zal zijn voor de achterblijvende functies. Verder ontbreekt het volgens de or. aan een concreet overzicht van de maatregelen om de gevolgen voor het personeel dat (eventueel) zal moeten afvloeien, op te vangen. De ondernemingskamer geeft de ondernemingsraad op een aantal punten gelijk en verklaart dat de ondernemer bij afweging van alle betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot haar besluit.

Artikelen 25 (lid 3) en 26 WOR
Gerechtshof Amsterdam, Ondernemingskamer,
8 september 2014
ECLI:NL:GHAMS:2014:3890

Feiten
De ondernemer drijft een onderneming, die deel uitmaakt van een internationaal concern en zich bezighoudt met “het ontwikkelen van innovatieve systemen, producten en diensten voor automatisering- en beveiligingsoplossingen in industrie, woningen en gebouwen”. Zij heeft diverse vestigingsplaatsen in Nederland, waaronder de locatie Amsterdam. De onderneming is onderverdeeld in strategische business units, waaronder de business unit Performance Materials and Technologies (PMT).
Een onderdeel van PMT is de zogenoemde business unit Process Solutions (HPS) die op zijn beurt weer bestaat uit de afdelingen Sales, Project Engineering (PAS) en Lifecycle Service and Solutions (LSS). Op haar beurt bestaat de afdeling LSS uit twee subafdelingen: Pulp, Paper, Printing & Plastics (P3) en Energy & Chemicals mark (E&C). Begin 2012 is besloten om voor LSS in Nederland een totaalorganisatie te creëren als gevolg waarvan P3 en E&C niet langer als aparte subafdelingen worden beschouwd. Ter zake van dit besluit is niet het advies van de ondernemingsraad gevraagd.

Bij brief van 21 januari 2014 is de ondernemingsraad echter wel om advies gevraagd ter zake van het voorgenomen besluit om de functies van de voor P3 werkende Customer Service Engineer en Service Lead te doen vervallen en hun taken op te laten gaan in de andere functies binnen LSS. Bij brief van 28 maart 2014 heeft de or negatief geadviseerd.
Volgens de ondernemingsraad is onvoldoende (concreet) gemotiveerd waarom van het advies van de or is afgeweken, onder meer omdat de ondernemingsraad niet over een evaluatierapport beschikte. Verder miste de ondernemingsraad “het grotere plaatje”, omdat onvoldoende uiteen gezet is waarom de reorganisatie juist deze twee functies moest treffen.

Ook gaat het besluit niet in op de zorgen van de ondernemingsraad omtrent de continuïteit van de werkzaamheden als gevolg van het verval van deze twee functies. Het besluit gaat tevens niet in op de te hoge werkbelasting die het gevolg zou zijn voor de overige Service Leads en Customer Service Engineers.
Als laatste is de or van mening dat artikel 25 lid 3 WOR is geschonden. Dit laatste omdat het besluit onvoldoende concreet en gemotiveerd is en geen overzicht biedt van de gevolgen die het besluit naar te verwachten valt voor de werknemers heeft en de naar aanleiding daarvan voorgenomen maatregelen.

Oordeel Ondernemingskamer
De Ondernemingskamer stelt voorop dat de ondernemingsraad op sommige onderdelen te hoge eisen stelt aan het overzicht van beweegredenen voor het besluit dat de ondernemer dient te verstrekken en aan de motivering voor afwijking van het advies, dat de ondernemer op grond van artikel 25 lid 5 WOR dient te geven. Zo vindt de Ondernemingskamer dat de ondernemer niet kan worden verweten dat de ondernemingsraad niet over een evaluatierapport beschikt, nu een dergelijk rapport er niet is en ook niet gezegd kan worden dat het besluit niet zonder een dergelijk rapport zou kunnen worden genomen.

Ten aanzien van het verwijt dat het besluit geen overzicht biedt van de gevolgen die naar te verwachten valt voor de betrokken werknemers ontstaan, en de naar aanleiding daarvan voorgenomen maatregelen, oordeelt de Ondernemingskamer echter in het voordeel van de ondernemingsraad.

De ondernemer heeft geschetst dat twee overhead posities komen te vervallen en daarbij aangegeven te overwegen om “een overeenstemming te treffen met mensen die dat vrijwillig willen.” Mocht dat niet lukken en is ook herplaatsing niet mogelijk, dan zullen “individuele afspraken worden gemaakt om het dienstverband te beeindigen met een passende regeling”. Dit is niet concreter geworden. Ter terechtzitting heeft de ondernemer desgevraagd toegelicht dat de wijze waarop de personele gevolgen geregeld zijn standard practice is, maar ook dat de inhoud van die practice nimmer op papier is gezet. De ondernemingsraad heeft nader toegelicht dat voor hem die practice een ‘black box’ is gebleven.

Naar het oordeel van de Ondernemingskamer heeft de ondernemer op deze wijze geen (toereikend) overzicht verstrekt van de gevolgen die het besluit naar te verwachten valt voor de in de onderneming werkzame personen zal hebben en van de naar aanleiding daarvan voorgenomen maatregelen.

Ook een tweede argument van de ondernemingsraad treft doel. Naar het oordeel van de Ondernemingskamer is namelijk ook onvoldoende aandacht besteed aan de gevolgen die het besluit heeft voor de werknemers die de taken behorende bij de vervallen P3-functies moeten overnemen. Naar aanleiding van commentaar van de ondernemingsraad over het gevaar van te hoge werkdruk, is in het besluit van de ondernemer slechts opgemerkt dat “de werkzaamheden op een zo goed mogelijke manier opgepakt moeten worden door de overblijvende functies”.

Ter terechtzitting is in aanvulling hierop nog verklaard dat de ondernemer niet verwacht dat de betrokken werknemers “er onderdoor zullen gaan”. Dat acht de Ondernemingskamer, gelet op de belangen van de betrokken werknemers, te vaag en daarmee niet toereikend. Onduidelijk was voorts nog wat de inhoud van de overblijvende functies als gevolg van het besluit zal zijn, gelet op de lopende besluitvorming inzake de (eerdere) organisatiewijziging LSS EMEA. Omdat deze eerdere organisatiewijziging samen hangt met de onderhavige organisatiewijziging, is het verwijt van de or dat hij ten onrechte niet beschikt over een overzicht van het “grotere plaatje” naar het oordeel van de Ondernemingskamer eveneens gegrond.

De Ondernemingskamer verldaart dan ook dat de ondernemer bij afweging van alle betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot haar besluit van 25 april 2014 tot de organisatiewijziging in Amsterdam.

Aantekening
Ook bij een reorganisatie waarbij (slechts) twee functies komen te vervallen brengt artikel 25 lid 3 WOR met zich mee dat de ondernemer in het kader van het adviesrecht inzicht moet verschaffen in de voorgenomen maatregelen die hij van plan is te nemen om de gevolgen van het besluit op te vangen. Niet kan worden volstaan met de mededeling dat dit op individueel niveau opgelost zal worden. Ook een verwijzing naar wat gebruikelijk is in de onderneming, volstaat niet, althans niet als dat gebruikelijke nergens is vastgelegd. De ondernemingsraad moet inzicht worden gegeven in de concrete maatregelen die de ondernemer voornemens is te treffen.

Let op
Waar de Ondernemingskamer stelt dat de or op sommige onderdelen te hoge eisen stelt aan het adviestraject, relateert de Ondernemingskamer dit met de woorden: “mede gelet op de beperkte strekking van het Besluit”, aan de omvang van het voorgenomen besluit. Uit de uitspraak blijkt dus dat indien een besluit een beperkte(re) omvang heeft, daaraan wel een wat minder diepgaande en grondige analyse aan ten grondslag mag worden gelegd.

Datum
8 december 2014

Rechtsgebied
Medezeggenschapsrecht

Geplaatst in
Raad van Medezeggenschap – Organisatorisch beleid – december 2014 pag. 15-16

Nieuwsbrief

Meer informatie