| samen sterk in arbeidsrecht

© 2018 Sprengers Advocaten
Maatwerk software door Way2Web

Cameratoezicht en mystery guest

De ondernemingsraad van een (bus)onderneming in het openbaar vervoer legt aan de kantonrechter de inzet van zogenoemde mystery guests voor. Dit zijn anonieme rijinstructeurs die het (rij)gedrag van de buschauffeur beoordelen. Ook legt de ondernemingsraad aan de kantonrechter een kennelijke wijziging in de bestaande regeling cameratoezicht binnen de onderneming voor. De claim dat de inzet van Mystery guests instemmingsplichtig zou zijn daar het zou gaan om een regeling op het gebied van personeelsbeoordeling wijst de kantonrechter van de hand omdat het slechts gaat om incidentele gevallen. Wel acht de kantonrechter sprake van een wijziging van de bestaande regeling cameratoezicht en de kantonrechter verbiedt de ondernemer camerabeelden tegen haar werknemers te gebruiken ingeval sprake is van een misdrijf.


Artikel 27 lid 1 sub g en sub 1 en artikel 36 Wet op de
Ondernemingsraden (WOR)
Rb. Oost Brabant, 7 augustus 2015
ECLI:NL:RBOBR:2015:4762


 

Feiten

De betrokken vervoersonderneming exploiteert het openbaar vervoer in de stadsregio Arnhem/Nijmegen en Eindhoven. Binnen de onderneming zijn circa 1.400 personen werkzaam. Vanaf 2010 worden incidenteel zogenoemde mystery guests (anonieme rijinstructeurs) ingezet op ritten. Aan de chauffeur wordt vooraf medegedeeld dat er binnen vier weken, op zeker moment en zonder dat de chauffeur daarvan op de hoogte is, een mystery guest zal meerijden. De chauffeur wordt daarbij geĆÆnformeerd over de aanleiding en het doe! van de inzet van de mystery guest. De desbetreffende chauffeur wordt door de mystery guest beoordeeld op 51 punten welke betrekking hebben op gedrag, houding en rijvaardigheid. De uitkomst van de beoordeling wordt met de chauffeur besproken en komt in het personeelsdossier terecht.

De OR heeft de nietigheid ingeroepen van het besluit om mystery guests in te zetten wegens het ontbreken van instemming van de ondernemingsraad op grond van artikel 27 lid 1 sub 1 WOR. De ondernemingsraad stelt in de procedure dat het besluit tot het inzetten van rijinstructeurs als mystery guests instemrningsplichtig is, omdat wat de rijinstructeur als mystery guest doet een personeelsbeoordeling inhoudt als bedoeld in artikel 27 lid 1 sub g WOR. Hij beoordeelt de chauffeur immers op houding en gedrag, alsmede op rijvaardigheid en maakt daartoe gebruik van een in het personeelsdossier te bewaren beoordelingsformulier

De ondernemingsraad heeft in deze procedure nog een tweede verzoek. Dit betreft de regeling cameratoezicht die binnen de onderneming al een aantal jaren bestaat. De regeling stelt onder meer:


” (…) de camerabewaking is uitdrukkelijk niet bedoeld om het gedrag van medewerkers te observeren, tenzij sprake is van een redelijk vermoeden van een misdrijf of betrokkenheid daarbij. Beelden kunnen alleen tegen medewerkers worden gebruikt als onderdeel van een formele aangifte van een misdrijf of betrokkenheid daarbij en/of politie/justitie de beeld en heeft opgevraagd (… )”


 

De ondernemingsraad voert aan dat hij op enig moment bemerkt heeft dat de ondernemer kennelijk een wijziging heeft aangebracht in de regeling cameratoezicht, door camerabeelden wel degelijk te gebruiken tegen werknemers. Het feitelijk en in substantiƫle zin, dat wil zeggen meer dan incidenteel, afwijken van een bestaande regeling impliceert volgens de OR een wijziging van de regeling. Daarvan is volgens de ondernemingsraad sprake nu er door de ondernemer regelmatig camerabeelden tegen haar chauffeurs gebruikt worden, indien er volgens de ondernemer sprake is van een laakbare gedraging, zoals het roken van een sigaret, gebruikmaking van een mobiele telefoon of onjuiste bejegening van een reiziger. De OR heeft in ieder geval twee concrete gevallen kunnen noemen, waaronder een geval dat heeft geleid tot een uitspraak van de kantonrechter in Arnhem in een ontslagprocedure. Deze twee gevallen heeft de ondernemer ook erkend.

Oordeel kantonrechter

Op het verzoek met betrekking tot de mystery guests verwerpt de kantonrechter eerst een formeel verweer van de ondernemer. De ondernemer heeft zich namelijk op het standpunt gesteld dat de OR niet tijdig (binnen een maand) de nietigheid heeft ingeroepen van het besluit. De ondernemer stelt dat het besluit al in 2010 genomen is. De OR heeft echter niet eerder dan op 24 oktober 2014 kennis genomen van de inzet van mystery guests en zodoende pas kort daarna de nietigheid ingeroepen.

De kantonrechter wijst op artikel 27 lid 5 WOR waarin staat dat de OR een beroep op de nietigheid moet doen binnen een maand nadat hetzij de ondernemer hem zijn besluit heeft medegedeeld, hetzij de ondernemingsraad is gebleken dat de ondernemer uitvoering of toepassing geeft aan zijn besluit.

De ondernemer heeft, zo stelt zij zelf, het middel vanaf 2010 pas zeven keer ingezet en heeft geen concrete feiten gesteld waaruit Ivan worden afgeleid dat de OR eerder op de hoogte is geweest van de inzet van mystery guests dan op 24 oktober 2014. Dit formele verweer wordt dan ook verworpen door de kantonrechter.
De kantonrechter oordeelt voorts dat is gebleken dat er alleen in bepaalde situaties een rijinstructeur wordt ingezet, al dan niet anoniem. Het gebeurt alleen in de gevallen waarin tijdens de ritten van een chauffeur zich een of meerdere schades hebben voorgedaan, dan wel er klachten zijn geuit door passagiers over de houding en/of het (rij)gedrag van de chauffeur.

Het vertrekpunt voor de ondernemer is zodoende niet het opmaken van een personeelsbeoordeling van (een groep) chauffeurs, maar of zich een situatie voordoet waarin het aangewezen is om een rijinstructeur in te zetten. Er wordt telkens een afweging gemaakt of de inzet van een rijinstructeur, at dan niet anoniem, noodzakelijk is. In de afgelopen vijf jaar is dit op een populatie van 1.335 buschauffeurs slechts zeven keer in de vorm van een mystery guest gebeurd. Gelet op het incidentele karakter betreft het hier geen besluit tot vaststelling, wijziging of intrekking van een regeling op het gebied van de personeelsbeoordeling als bedoeld in artikel 27 lid 1 sub g WOR. De kantonrechter wijst dit verzoek van de OR dan ook af.

Op het verzoek betreffende het cameratoezicht oordeelt de kantonrechter dat het meer dan incidenteel afwijken van een regeling een wijziging van die regeling impliceert en dat in een zodanig geval gesproken kan worden van een wijzigingsbesluit met betrekking tot die regeling.
Dat er tenminste twee gevallen zijn aangevoerd door de OR welke door de ondernemer worden erkend, waarin sprake is geweest van het gebruik van camerabeelden tegen chauffeurs in verband met een laakbare gedraging, zoals het roken van een sigaret, gebruik maken van een mobiele telefoon of het onjuist bejegenen van een reiziger, acht de kantonrechter voldoende om te kunnen spreken van een wijzigingsbesluit met betrekking tot de regeling cameratoezicht.

Naar het oordeel van de kantonrechter geeft de ondernemer een ruimere uitleg aan de regeling cameratoezicht dan de regeling cameratoezicht zelf voorschrijft. Voor zover de ondernemer meent ook buiten de voorgeschreven gevallen de beelden rechtspositioneel tegen haar medewerkers te kunnen gebruiken, bijvoorbeeld na een klacht over het tijdens het rijden door een chauffeur bedienen van een smartphone, geeft de ondernemer naar het oordeel van de kantonrechter een te ruime uitleg aan de regeling.
De kantonrechter verbiedt de ondernemer daarom met onmiddellijke ingang camerabeelden tegen haar werknemers te gebruiken, behoudens als onderdeel van een formele aangifte van een misdrijf of betrokkenheid daarbij en/ of indien politie/ justitie de beelden heeft opgevraagd.

Aantekening

Het cameratoezicht dient hier ter bevordering van de (sociale) veiligheid, gezondheid en welzijn van mensen en middelen die vallen onder de zorg van de busonderneming. Ook kan cameratoezicht worden gebruikt voor ongevallenanalyse en voor verzekeringsdoeleinden. De centrale ondernemingsraad heeft met de regeling ingestemd.

Omdat cameratoezicht ingrijpt op de privacy, is het aan wettelijke eisen gebonden. Het valt in ieder geval onder het instemmingsrecht van de ondernemingsraad als bedoeld in artikel 27 lid 1 onder 1 WOR als zijnde een regeling inzake voorzieningen die gericht zijn op of geschikt zijn voor waarneming van of controle op aanwezigheid, gedrag of prestaties van de in de onderneming werkzame personen. Daarnaast dient cameratoezicht in beginsel te worden gemeld bij het College bescherming persoonsgegevens (Cbp). Of dit heeft plaatsgevonden kan een eerste aanwijzing vormen voor de rechtmatigheid van het cameratoezicht.


Let op

Op het punt van de mystery guest werd door de ondernemer het formele verweer gevoerd dat de OR bij het beroep op de nietigheid de onjuiste grondslag van artikel 27 lid 1 sub 1 WOR zou hebben genoemd, terwijl er in het verzoekschrift een beroep wordt gedaan op artikel 27 lid 1 sub g en k (personeelsbeoordeling) WOR. De kantonrechter oordeelt hierop dat het de ondernemer op basis van de inhoud van de e-mail van de OR waarmee de nietigheid werd ingeroepen, duidelijk moet zijn geweest van welk besluit de OR de nietigheid inriep. Gesteld noch gebleken is dat de ondernemer door de onjuiste juridische kwalificatie van de regeling in het e-mailbericht in haar belangen is geschaad. Hiermee wordt nog eens bevestigd dat het inroepen van de nietigheid in beginsel vormvrij is, zolang maar duidelijk is van welk besluit de OR de nietigheid inroept.


 

Datum
13 oktober 2015

Rechtsgebied
Medezeggenschapsrecht

Rechtspraak voor Medezeggenschap. Afl. 9/10 oktober 2015 – pag. 11-12

Nieuwsbrief

Meer informatie