| samen sterk in arbeidsrecht

© 2018 Sprengers Advocaten
Maatwerk software door Way2Web

De ambtenarenrechtersformule, een update

Inmiddels zijn er meer dan twee jaar verstreken sinds ‘de geboorte’ van de ambtenarenrechtersformule, dus tijd voor een update.

In de nieuwsbrief van maart 2013 besprak collega Lars van Westerlaak de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 28 februari 2013 (hierna: de Raad), waarin de Raad kwam tot een algemene formule om een vergoeding te bepalen indien het ontslag in overwegende mate was te wijten aan de overheidswerkgever. Let wel, het gaat hierbij om een (eervol) ontslag op ‘overige gronden’ (ex art. 8:8 CAR/UWO, art. 99 ARAR, enzovoorts).

De formule schrijft voor hoe de “plus” op de minimale uitkeringsregeling wordt begroot in gevallen waarin de overheidswerkgever een overwegend aandeel had in het ontslag; namelijk door 50% van de dienstjaren te vermenigvuldigen met het laatstverdiende maandsalaris plus vakantietoeslag onder correctie van een factor van 0,5, 0,75 of 1, afhankelijk van de mate van verwijtbaarheid van de overheidswerkgever. De 50% ‘korting’ is volgens de Raad redelijk, nu veel ambtenaren een bovenwettelijke uitkering ontvangen als zij een ‘ontslag op overige gronden’ krijgen.

Inmiddels zijn er meer dan twee jaar verstreken sinds ‘de geboorte’ van de ambtenarenrechtersformule, dus tijd voor een update.

In de periode 28 februari 2013 tot 28 februari 2015 zijn er in totaal 55 uitspraken gepubliceerd op rechtspraak.nl of in het Tijdschrift voor ambtenarenrecht (‘Tar’). Dit zijn zowel uitspraken van de Raad als van rechtbanken.

Uit deze uitspraken blijkt dat er niet snel sprake is van een overwegend aandeel, daarvoor moet er wel het nodige zijn gebeurd. Dit blijkt ook wel uit het feit dat in 17 van de 55 uitspraken oftewel 30% de rechter tot de conclusie komt dat er sprake was van een overwegend aandeel van de overheidswerkgever. Een greep uit de voorbeelden die ertoe kunnen leiden dat de vergoeding moet worden toegekend:

  • een onverwachte en forse/buitenproportionele mededeling door/namens de overheidswerkgever over (mogelijk) niet-integer handelen, dan wel het meteen inzetten op vertrek zonder een poging te doen om de arbeidsverhouding te verbeteren of andere mogelijkheden te onderzoeken;
  • het uitvoeren van een niet-controleerbaar onderzoek door de overheidswerkgever zelf en dit vervolgens gebruiken als grondslag voor het voorgenomen ontslagbesluit;
  • het niet ingaan op redelijke verzoeken van de betrokken ambtenaar (bijvoorbeeld het vragen om opheldering);
  • het ontstaan van een impasse als gevolg van tijdsverloop en/of passiviteit aan de zijde van de overheidswerkgever (bijvoorbeeld het niet aanbieden van een functie terwijl dit wel was toegezegd);
  • het doen van openbare mededelingen en nadien niet (indien nodig) rectificeren;
  • het niet (daadwerkelijk) aanbieden van begeleiding en coaching als sprake is van een communicatieprobleem met collega’s.

Toch zijn er ook nog een aantal vragen die nog niet (afdoende) zijn beantwoord. Zo is onduidelijk of alle toelagen moeten worden meegerekend in het bepalen van de vergoeding. Ook is nog niet duidelijk of en zo ja hoe dienstjaren moeten worden afgerond bij het bepalen van de duur van de aanstelling. Tot slot houdt de ambtenarenrechtersformule geen rekening met het verschil in bovenwettelijk uitkeringsregime (dit verschilt per overheidssector); stel dat de ambtenaar werkzaam is in een sector met een ‘mager’ bovenwettelijk uitkeringsregime, kan dit dan (toch) leiden tot een andere uitkomst? Hetzelfde geldt voor extreem korte aanstellingen, ook dit kan leiden tot een relatief lage vergoeding terwijl er wel sprake kan zijn van een forse verwijtbaarheid aan de zijde van de overheidswerkgever. Het zou goed zijn als de rechtbanken of in ieder geval de Raad hier in de toekomst meer duidelijkheid over schept.

Datum
30 september 2015

Rechtsgebied
Ambtenarenrecht

Sprengers nieuwsbrief 3-2015

Nieuwsbrief

Meer informatie