| samen sterk in arbeidsrecht

© 2018 Sprengers Advocaten
Maatwerk software door Way2Web

De toekomst van de medezeggenschap. Aanbevelingen aan de wetgever

L.C.J. Sprengers en G.W. van der Voet (red.) Deventer: 2009 (VvA nr. 37) VIII + 150 p. 90 13 06737 8

Korte schets inhoud

De tussenstand is, terwijl de wedstrijd eigenlijk nog moet beginnen, 1-1. De SER is sinds kort doende het aantal bedrijfscommissies sterk terug te dringen, maar in het recente voorontwerp tot wijziging van het enquêterecht wordt aan de ondernemingsraad niet de bevoegdheid toebedacht een enquêteverzoek te doen. Daarmee wordt Aanbeveling 28 uit de hier aangekondigde bundel gevolgd, maar Aanbeveling 30 niet.
De bundel is zo opgezet dat slechts voor een klein deel overlappende teams van juridische auteurs aanbevelingen aan de wetgever doen. Aanleiding is de aankondiging dat de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zich eind 2009 zal uitlaten over mogelijke aanpassingen in de Wet op de ondernemingsraden. De wetgever heeft daartoe inmiddels de nodige handvatten aangereikt gekregen, niet alleen van de Werkgroep Medezeggenschapsrecht van de Vereniging van Arbeidsrecht die verantwoordelijk is voor de hier aangekondigde bundel, maar ook door een
op 17 juni 2009 uitgebracht eindrapport (van H.C. Visee & ].W.M. Mevissen) over Naleving van de Wet op de ondernemingsraden, Stand van zaken 2008 en een in augustus uitgebracht rapport van P. van Beurden c.s. over Gebruik, niet-gebruik of onderbenutting van bevoegdheden van ondernemingsraden. Ten slotte heeft de Commissie Arbeid, Onderneming en Medezeggenschap van de SER op 21 september jl. een Notitie consultatief overleg medezeggenschap vastgesteld. Niemand kan volhouden dat er na het toch wel smadelijk lot van de Wet medezeggenschap werknemers van minister De Geus op medezeggenschapsrechtelijk gebied een volledige stilstand is ingetreden.

Beoordeling en belang voor de praktijk

De bundel, de rapporten en de notitie hebben één (stilzwijgend) uitgangspunt gemeen. Dat uitgangspunt is dat de Wet op de ondernemingsraden grosso modo naar behoren functioneert, dat in de praktijk (dan ook) geen grote problemen rijzen en dat derhalve een fundamentele herbezinning niet aan de orde is. Wat dat betreft Iijkt de Wet wel op het ‘rustig bezit’ dat het Burgerlijk Wetboek bij het 100-jarig bestaan in 1938 door Paul Scholten werd bevonden. (In 1945 begon Meijers zijn werk aan het NBW.) Op dat punt kan er reden zijn een vraagteken te plaatsen, nu de publieke democratie, waarvan het medezeggenschapsrecht een soort private voortzetting kan worden genoemd, in Nederland evident in een crisis verkeert.
Aanbevelingen uit de bundel zijn niet nieuw, zoals de twee die ik hierboven noemde, en/of niet wereldschokkend. Zo bepleit Van der Voet c.s. in Hoofdstuk 2 een ruimhartiger gebruik van art. 5 WOR, zonder dat (mij) duidelijk wordt gemaakt welke concrete alternatieven voor de wettelijke structuur langs die weg mogelijk zouden moeten worden gemaakt. Aan de problemen die rijzen bij besluitvorming in een internationale context besteedt
De Blecourt c.s. in Hoofdstuk 3 op boeiende en diepgaande wijze aandacht, maar hemelbestormend is het niet om aan te bevelen de jurisprudentie op toerekening en medeondernemerschap te codificeren en om de begrippen uit
de Wet op de Europese ondernemingsraden en de WOR beter op elkaar af te stemmen (Aanbeveling 7 respectievelijk Aanbevelingen 4, 5, 8 en 10). Daarbij is het een – door de auteurs niet diepgravend besproken – serieuze vraag of de rechtspraak inderdaad voldoende uitgekristalIiseerd is om codificatie enselijk te maken. Door Witteveen c.s. wordt in Hoofdstuk 4 aangehaakt bij ontwikkelingen in het vennootschapsrecht, maar wat wordt aanbevolen ten aanzien van bijvoorbeeld het spreekrecht (Aanbeveling 12), is eerder voor de hand Iiggend dan hemelbestormend. Het toch wel enigszins hete hangijzer van de rol van de medezeggenschap bij de vaststelling van (primaire) arbeidsvoorwaarden komt in Hoofdstuk 5 van Van Els c.s. aan de orde, maar met Aanbeveling 17 wordt vooral om ‘nader onderzoek’ gevraagd en wordt, dus, niet aangegeven hoe die rollen in de WOR afgebakend zouden kunnen worden: is er reden om, naast het instemmingsrecht, te voorzien in een onderhandelingsrecht voor niet, of niet uitputtend bij cao geregelde onderwerpen? Wat in Hoofdstuk 6 over de ‘Positie ondernemingsraad(leden) in de onderneming’, in Hoofdstuk 7 over ‘Ondernemingsraad en achterban’ en in Hoofdstuk 8 over de ‘Geschillenregeling’ wordt opgemerkt en aan de wetgever gesuggereerd, biedt evenmin Iicht ontvlambaar materiaal.
Bij de gekozen opzet komt niet ten principale aan de orde of de catalogi van art. 25 lid 1 en art. 27 lid 1 WOR uitbreiding, beperking of in elk geval aanscherping behoeven, of de Ondernemingskamer met de wijze waarop zij art. 26 lid 4 WOR sinds zo’n 30 jaar toe past, de ondernemingsleiding te veel of juist te weinig ruimte laat, noch of het criterium voor het verlenen van vervangende instemming van art. 27 lid 4 eigenlijk wel hanteerbaar is respectievelijk te dicht bij een vetorecht ligt. Dat zijn stuk voor stuk vragen die, welk antwoord men daarop ook geeft, bij een evaluatie ten principale aan de orde zouden moeten komen.
In een recensie moet men ervoor waken de besproken uitgave los te zien van de specifieke bedoelingen van de auteurs. De auteurs van de hier aangekondigde bundel hebben een dergelijke, al snel ‘politiek’ te noemen stelIingname niet nagestreefd. De verschillende hoofdstukken zijn door de gekozen insteek dan ook in overwegende mate beschrijvend, en de gedane Aanbevelingen hebben in sterke mate wat men pleegt te noemen een juridischtechnisch karakter, zoals de Aanbeveling gericht op een wettelijke verplichting om in het jaarverslag te vermelden of er een ondernemingsraad is ingesteld, en zo nee: waarom niet, en die om het aantal handtekeningen vereist voor een ‘vrije’ lijst te verlagen van 30 naar maximaal 10. Ongetwijfeld zal de wetgever, in de nabije toekomst of later, een aantal van de Aanbevelingen overnemen. Veel van die aanbevelingen komen ook niet uit de lucht vallenen zijn begrijpelijk voor wie geen vreemdeling is in het Jeruzalem van de medezeggenschap. In zoverre voldoet de bundel zeker aan de eigen doelstellingen. Maar groots en meeslepend is het niet echt.

Mr. R.A.A. Duk is advocaat te Den Haag en redacteur van dit tijdschrift.

Datum
1 januari 2010

Rechtsgebied
Medezeggenschapsrecht

Geplaatst in
TRA – Actueel januari 2010, 1, p. 30-31. Co-auteur: G.W. van de Voet.

Nieuwsbrief

Meer informatie