| samen sterk in arbeidsrecht

© 2019 Sprengers Advocaten
Maatwerk software door Way2Web

De weg naar de arbeidsmarkt

Jongeren, verenigd in Young & United, vragen aandacht voor de lage jeugdlonen. Een jongere in Nederland verdient erg weinig. Terwij1 in de meeste Europese landen jongeren 70%-80% van het minimumloon verdienen, ligt dat percentage in Nederland gemiddeld onder de 60% van het minimumloon. Een 17-jarige verdient rond de 40% van het minimumloon. Inmiddels worden de jongeren gesteund door linkse politieke partijen: de minister is door diverse fracties gevraagd een voorstel tot verhoging van het minimumjeugdloon te doen.

Het CPB waarschuwt voor de negatieve gevolgen: dit zou wel eens een verstorende werking op de arbeidsmarkt kunnen hebben. In 2012 heeft het CPB voorgehouden dat een laag minimumjeugdloon de kansen van minder productieve jongeren doet toenemen om ervaring op te bouwen en zo een positie op de arbeidsmarkt te verkrijgen. Een laag loon stimuleert jongeren daarnaast hun studie af te ronden. In Nederland steken de prestaties van de arbeidsmarkt voor jongeren gunstig af in vergelijking tot andere landen: de jeugdwerkeloosheid is in Nederland met 12% laag te noemen, en wordt gezien als de beste van de OESO-landen.De OESO concludeert: “A key behind the successful , labour-market performance is the early labour market debut for many young people, facilitating later transition into full time position and permanent contracts.” Dit is goed nieuws.

Dit moet – zo heb ik ontdekt – alleen wel met een korrel zout worden genomen: meer dan een half miljoen jongeren werken namelijk voor minder dan twaalf uur per week: werkzaamheden uit bestaande functies worden opgeknipt en in kleine deeltijdfuncties aangeboden tegen geringe beloning. Voor deze jongeren zijn dit geen serieuze banen die een opstap bieden naar de arbeidsmarkt, maar bijverdiensten naast school en studie. Een derde van de 1,2 miljoen jongeren heeft een wat grotere deeltijdbaan. Dit leidt tot de conclusie dat slechts ca. 150.000 jongeren (dus 12,5%) een volledige baan weet te bemachtigen. Dat – zoals de OESO denkt – die kleine baantjes in belangrijke mate uitmonden in een vast contract geloof ik op basis van persoonlijke ervaring niet zo erg. Een van de bij mij inwonende “hotelgasten” heeft zich weliswaar tegen een salaris van € 3,44 per uur weten op te werken tot teamleider van de hoge schappen in de plaatselijke supermarkt, maar het nu voor de 3e keer verlengde dienstverband zal op de dag voorafgaand aan het bereiken van het 18e levensjaar eindigen. Dat is mooi uitgekiend: van een vast contract en transitievergoeding zal hierdoor geen sprake zijn. Hij gaat daarna dus gewoon lekker aan de studie en daar is niets mis mee. Wat werk betreft kan hij op de bank plaatsnemen naast zijn broer, die als 22-jarige student op de arbeidsmarkt van vakkenvullers, postsorteerders en koffieschenkers at wat minder aantrekkingskracht heeft. Hij kost tegenwoordig maar liefst € 7,39 per uur.

Dit heet verdringing en is een argument dat kan worden ingebracht tegen het handhaven van het minimumjeugdloon. De jongere jongeren tot 18 jaar verdringen oudere jongeren (van 18 tot 23 jaar) van de arbeidsmarkt. Dit lot treft in het bijzonder de jongeren die vanwege hun opleidingsniveau en opleidingsmogelijkheden juist op laag productieve arbeid zijn aangewezen. Het betekent dat jongeren die vroeg zijn uitgeleerd en hun weg proberen te vinden op de arbeidsmarkt van eenvoudigere beroepen, worden geconfronteerd met de concurrentie van de jongere jongeren die het (door)leren combineren met kleine baantjes. Hoewel de aard van de deelname van beide groepen jongeren kan verschillen, gaat het wel om dezelfde werksoort. Deze wordt in kleine functies aangeboden terwijl deze vaak ook in functies met een grotere arbeidsurenomvang kan worden aangeboden. De laagopgeleide jongeren trekken door het minimumjeugdloon vaker aan het kortste eind. Dit kan meteen ook het beginpunt zijn van de tweedeling op de arbeidsmarkt. Van de niet-participatie van jongeren is in 2010 al een probleemanalyse gemaakt (Research voor beleid, probleemanalyse niet-participatie jongeren, Zoetermeer, 2010): gebleken is dat voor lager opgeleiden de afstand tot de arbeidsmarkt groot is en snel toeneemt naarmate de situatie van niet-participatie langer voortduurt. Jongeren kunnen dus na verloop van tijd vanzelf worden toegevoegd aan de onderste schappen van de arbeidsmarkt: de 1,6 miljoen mensen die zijn aangewezen op een beperkte arbeidsongeschiktheidsuitkering of een WW- of bijstandsuitkering.

Onlangs heeft de wetgever door aanpassing van art. 7 Wet minimumloon een einde gemaakt aan de mogelijkheid AOW-gerechtigden minder dan het minimumloon te betalen, om te voorkomen dat de nog niet AOW-gerechtigde “jongere oudere” aan het eind van zijn loopbaan beconcurreerd wordt door de “oudere oudere” werknemer. Wordt het niet tijd om ervoor te zorgen dat ook aan de concurrentie tussen jongeren onderling een einde wordt gemaakt en aan beiden een weg naar de arbeidsmarkt wordt geboden?

Datum
28 december 2015

Rechtsgebied
Arbeidsrecht

Geplaatst in
TRA 2015/98 Afl. 12 – december 2015, pag 1-2

Nieuwsbrief

Meer informatie