| samen sterk in arbeidsrecht

© 2018 Sprengers Advocaten
Maatwerk software door Way2Web

Geen loonsanctie: onjuistheid beoordeling bedrijfsarts onvoldoende aannemelijk gemaakt

Geen loonsanctie: onjuistheid beoordeling bedrijfsarts onvoldoende aannemelijk gemaakt

TRA 2015/85

Centrale Raad van Beroep 25 maart 2015, nr. 13-5054 WIA
m.nt. mr. dr. P.H. Burger

Art. 25 lid 9 WIA

RSV 2015/100 ECLI:NL:CRVB:2015:926

Geen loonsanctie: onjuistheid beoordeling bedrijfsarts onvoldoende aannemelijk gemaakt

Feiten

Werknemer is vanaf 3 september 2007 arbeidsongeschikt in verband met een zeer hoge bloeddruk. Bij voortduring wordt hij ongeschikt geacht voor het verrichten van werkzaamheden.
Werkgever vernam op 24 augustus 2009 van werknemer dat werknemer zich een stuk beter voelde na een door hem genoten vakantie en zelf de indruk had dat zijn bloeddruk na een behandeling met plantenextract was gedaald. Omdat de werkgever eerder in juni 2009 had vernomen dat deze bloeddruk onverminderd hoog was vindt de CRvB het begrijpelijk dat werkgever werknemer toen niet direct met re-integratieactiviteiten heeft belast. Op 28 augustus 2009 is de werknemer vervolgens bij de bedrijfsarts geweest. In het formulier Medische informatie WIA heeft de bedrijfsarts gesteld op basis van informatie gegeven door de internist -die tevreden was – nog steeds van het bestaan van volledige arbeidsongeschiktheid uit te gaan en over drie weken een herbeoordeling te laten plaatsvinden.
Nadat in augustus 2009 een WIA-uitkering is aangevraagd, wordt vastgesteld dat werkgever niet aan zijn re-integratieverplichting heeft voldaan en het loon moet worden doorbetaald tot 3 september 2010.
UWV heeft aan deze beslissing ten grondslag gelegd dat werkgever vanaf augustus 2009, toen sprake was van een daling van de bloeddruk van werknemer, re-integratiekansen heeft gemist. Werkgever stelt bezwaar en beroep in tegen de opgelegde loonsanctie dat – nadat door UWV een beslissing met gewijzigde motivering wordt genomen – ongegrond wordt verklaard. Werkgever stelt hoger beroep in. Vanaf januari 2011 wordt een WIA-uitkering toegekend waarbij het arbeidsongeschiktheidspercentage wordt bepaald op 100%.

Oordeel Centrale Raad van Beroep

De CRvB oordeelt onder verwijzing naar de regels zoals vastgelegd in de Beleidsregels beoordelingskader poortwachter (Beleidsregels) welke maatstaven door UWV in acht dienen te worden genomen bij zijn beslissing een loonsanctie op te leggen. Daarbij haalt de CRvB aan dat gelet op het belastende karakter van het loonsanctiebesluit het UWV aannemelijk zal moeten maken dat de werkgever onvoldoende re-integratieinspanning heeft verricht en deugdelijk en correct moet motiveren waaruit de tekortkoming bestaat. Op basis van de medische stukken en de stellingen van partijen stelt de CRvB vast dat niet in geschil is dat de gezondheidstoestand van werknemer in verband met een veel te hoge bloeddruk tot augustus 2009 aan het ondernemen van re-integratieactiviteiten in de weg stond. Alleen ter beoordeling staat open of werkgever er terecht vanuit is gegaan dat de werknemer in augustus 2009 geen arbeidsmogelijkheden had.
De CRvB oordeelt dat werkgever niet tekort is geschoten door van het advies van de bedrijfsarts uit te gaan. Vanwege het belastende karakter van de loonsanctie is het aan het UWV aannemelijk te maken dat de bedrijfsarts in zijn medische beoordeling tekort is geschoten. Dat de bedrijfsarts een onjuist oordeel zou hebben gegeven is echter niet aannemelijk geworden nu met de gegeven informatie niet vaststaat dat de bedrijfsarts medisch niet juist heeft gehandeld door na de uitkomst van bloeddrukmetingen, tegen de achtergrond van een langdurige periode met extreem hoge bloeddruk, voorzichtigheid te betrachten en te besluiten kort nadien de meting te herhalen. De CRvB vindt dat in beroep en hoger beroep het UWV geen toereikende motivering heeft gegeven voor de opvatting dat werkgever is afgegaan op een onjuist advies van zijn bedrijfsarts en om die reden eind augustus re-integratiekansen heeft gemist.

Commentaar

1. Op grond van art. 65 WIA beoordeelt het UWV bij de aanvraag van een WIA-uitkering of de werkgever en de verzekerde in redelijkheid hebben kunnen komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht. Indien de verrichte re-integratie-inspanningen als onvoldoende zijn beoordeeld, verlengt het UWV op grond van art. 25 lid 9 WIA de loondoorbetalingsverplichting. In de Beleidsregels heeft het UWV een inhoudelijk kader neergelegd voor de beoordeling van de vraag of werkgever en werknemer in redelijkheid hebben kunnen komen tot de re-integratieinspanningen die zijn verricht. De Beleidsregels bieden niet alleen inzicht in de wijze waarop het UWV de geleverde re-integratie-inspanningen beoordeelt, maar ook is het een richtsnoer voor de werkgever en de werknemer voor de aanpak van de re-integratie. Bij de beoordeling staat het bereikte resultaat voorop. Wanneer dat is bereikt, is volgens het beoordelingskader voldaan aan de wettelijke eis dat werkgever en werknemer in redelijkheid konden komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht. Indien het UWV het resultaat niet bevredigend acht, zal volgens de Beleidsregels bij de beoordeling worden ingezoomd op het re-integratieproces in de eerste twee ziektejaren en datgene wat door de werkgever en werknemer daadwerkelijk ondernomen is. Voor de situatie waarin geen bevredigend resultaat is bereikt en het UWV tot het oordeel is gekomen dat de werkgever bij zijn re-integratie-inspanningen in gebreke is gebleven, is in de Beleidsregels opgenomen dat het UWV in de beslissing waarbij aan de werkgever een loonsanctie wordt opgelegd, vermeld wat er schort aan de geleverde re-integratie-inspanningen, dat de werkgever dit moet herstellen en op welke wijze herstel kan plaatsvinden. Gelet op het belastende karakter van een loonsanctiebesluit zal het UWV aannemelijk moeten maken dat de werkgever onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht en daarbij deugdelijk en concreet moeten motiveren waaruit de tekortkoming bestaat (zie ECLI:NL:CRVB:2009:BK3717).
2. Op grond van vaste rechtspraak is het voor risico van werkgever dat hij afgaat op een advies van een bedrijfsarts dat later blijkt onjuist of onvoldoende onderbouwd te zijn geweest (ECLI:NL:CRVB:2009:BK3713 en ECLI:NL:CRVB:2011:BR5270). Met deze norm heeft de CRvB de werkgever verantwoordelijk gemaakt voor gemiste reintegratiekansen die het gevolg zijn van een onjuist of onvoldoende onderbouwd oordeel van de bedrijfsarts. Deze norm verplicht daarmee ook de bedrijfsarts tot het betrachten van zorgvuldigheid: de bedrijfsarts doet er goed aan medische informatie op te vragen en zijn opvatting over de medische geschiktheid in het licht van die informatie voldoende te motiveren (zie ECLI:NL:CRVB:2010:BN8780). Van de bedrijfsarts kan bijvoorbeeld worden verlangd dat hij onderbouwt op basis van welke medische feiten hij geen benutbare mogelijkheden aanwezig heeft geacht of waarom werkhervatting naast ingezette medische behandeling niet tot de mogelijkheden behoorde (CRvB 21 augustus 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1485, ECLI:NL:CRVB:2011:BP2229). Noodzakelijk is het dat een bedrijfsarts zijn oordeel in het licht van voorhanden zijnde medische informatie kan onderbouwen en zijn beoordeling op meer dan alleen telefonisch verschafte informatie baseert (zie CRvB, 4 mei 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ4320). Daarbij is van belang te kijken naar de situatie zoals deze ten tijde van de door de bedrijfsarts gemaakte beoordeling was en speelt geen rol dat later -bijvoorbeeld in het kader van een WIA beoordeling – wel
van volledige ongeschiktheid wordt uitgegaan (zie CRvB: 29 september 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN8780). Met deze lijn van jurisprudentie heeft de CRvB de lat vrij hoog gelegd voor een succesvol bezwaar tegen een loonsanctie: wanneer dit is te wijten aan een – achteraf naar oordeel van UWV -verkeerd gegeven oordeel van de bedrijfsarts dan lijkt het instellen van bezwaar vrij kansloos.
3. Deze uitspraak lijkt in zekere zin een ander licht op de problematiek te schijnen nu de CRvB er de nadruk oplegt dat het UWV allereerst wel aannemelijk dient te maken dat van een onjuist oordeel van de bedrijfsarts sprake is geweest. De CRvB wijst erop dat in verband met het belastende karakter van de loonsanctie de tekortkoming deugdelijk en concreet moet worden gemotiveerd. Daarmee wordt de bewijslast dat de bedrijfsarts een onjuist oordeel heeft gegeven bij het UWV gelegd. Dit betekent naar mijn mening dat de verzekeringsarts van het UWV niet zomaar kan volstaan met het innemen van een ander standpunt ter zake van de belastbaarheid maar op zijn minst moet komen met een verantwoording waarom het (onderbouwde) oordeel van de bedrijfsarts voor onjuist moet worden gehouden, omdat dit bijvoorbeeld niet is gebaseerd op een adequate inventarisatie van medische informatie of op een verkeerde inschatting van de medische situatie en de daarmee samenhangende beperkingen. Wanneer de bedrijfsarts een medische beoordeling met door hem opgevraagde medische informatie onderbouwt dan zal het aan het UWV zijn om aannemelijk te maken dat de bedrijfsarts daadwerkelijk tekort is geschoten in zijn medische beoordeling en te onderbouwen waarom het oordeel van de bedrijfsarts niet klopt. Driessen schetst in haar noot (USZ 2015/187) dat hierbij mag worden uitgegaan van de medisch professionele standaard die voortvloeit uit art. 7:453 BW en die voorschrijft dat van de arts mag worden verwacht dat hij de zorgvuldigheid betracht die mag worden verwacht van een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsgenoot.
4. In dit geval kent de CRvB daarbij betekenis toe aan het feit dat de werknemer gedurende vrijwel de gehele re-integratieperiode vanwege een veel te hoge bloeddruk tot augustus 2009 niet tot re-integratie in staat was en de behandelend internist bij een in juni 2009 vastgestelde bloeddrukmeting vond dat werken niet verantwoord was. Zelf had de bedrijfsarts bij de beoordeling daarvan steeds rekening gehouden met “ernstige zo niet levensbedreigende complicaties waarbij iedere vorm van belasting de kans op toenemende gezondheidsschade zou vergroten”. Hoewel door UWV werd aangevoerd dat achteraf helemaal niet was gebleken dat de werknemer in dit geval orgaanschade had geleden als gevolg van zijn aandoening, nam dit naar het oordeel van de CRvB niet weg dat de bedrijfsarts voorzichtigheid mocht betrachten: hij mocht menen dat nogmaals een lagere bloeddruk moest worden gemeten alvorens een advies tot werkhervatting medische verantwoord zou zijn. Het UWV had zijn oordeel dat de bedrijfsarts een onjuist oordeel had gegeven in de talrijke verzekeringsgeneeskundige rapporten onvoldoende gemotiveerd.

Mr. dr. P.H. Burger

Datum
30 oktober 2015

Rechtsgebied
Sociaal zekerheidsrecht

TRA, Afl. 10 – oktober 2015. Socialezekerheidsrecht TRA 2015/85 15, pag 33-34

Nieuwsbrief

Meer informatie