| samen sterk in arbeidsrecht

© 2018 Sprengers Advocaten
Maatwerk software door Way2Web

Hoe ver gaat de informatieplicht in het kader van een adviestraject?

Het is aan de ondernemingsraad (en niet aan de bestuurder) om te bepalen welke informatie hij nodig heeft om tot een advies te komen. Gaat deze informatieplicht van de bestuurder zo ver dat deze een onafhankelijk extern onderzoek moet laten uitvoeren omdat de OR hier, in het kader van de beoordeling van de adviesaanvraag, om heeft gevraagd? Dit vraagstuk kwam bij de Ondernemingskamer aan de orde in de zaak van de ondernemingsraad van de gemeente Amsterdam/gemeente Amsterdam.

De zaak:

De gemeente Amsterdam heeft de ondernemingsraad advies gevraagd over de reorganisatie bij de Stadsbank van Lening. Deze reorganisatie is het gevolg van het besluit van het college van burgemeester en wethouders tot sluiting van het filiaal Albert Cuyp van de Stadsbank van Lening. Over het besluit tot sluiting van het filiaal Albert Cuyp heeft de ondernemingsraad geen adviesrecht, omdat dit besluit valt onder de primaat van de politiek.  De ondernemingsraad wordt advies gevraagd over de inkrimping van de organisatie met 23,25 fte, de aanpassing van de functiestructuur en aanpassingen binnen het management. De gemeente Amsterdam verwacht dat met de inkrimping ongeveer 13 fte boventallig zal worden. Bij de adviesaanvraag is een reorganisatieplan, het collegebesluit en een toelichting formatieberekening overlegd.

De ondernemingsraad stelt, na een eerste beoordeling van de adviesaanvraag, dat hij de adviesaanvraag niet in behandeling kan nemen omdat er een degelijke onderbouwing van de aannames en analyses die aan het voorgenomen besluit ten grondslag worden gelegd, ontbreekt. De ondernemingsraad verwijst hiervoor naar de bepaling in het rechtspositiereglement waarin beschreven wordt welke informatie een reorganisatieplan moet bevatten. De ondernemingsraad vraagt de bestuurder om een degelijk (extern) methodologisch onderzoek te laten uitvoeren gebaseerd op valide data. De ondernemingsraad verzoekt om een nieuwe adviesaanvraag.

De bestuurder stelt in een reactie dat de bezuinigingsmaatregel niet ter advisering wordt voorgelegd, deze valt onder het primaat van de politiek. Hiervoor hoeft dus geen nadere onderbouwing te worden gegeven. Voor de personele gevolgen verwijst de bestuurder naar het reorganisatieplan. Tevens stelt hij dat, naar zijn oordeel, in de toelichting formatieberekening voldoende is onderbouwd op welke wijze de analyse tot stand is gekomen en welke conclusies daaraan verbonden zijn. De bestuurder gaat niet over tot het laten uitvoeren van een (extern) methodologisch onderzoek.

Vervolgens brengt de ondernemingsraad zijn advies uit waarin hij stelt dat zijn verzoek om zorgvuldige onderbouwde adviesaanvraag in te dienen, niet heeft geleid tot een nieuw beter onderbouwde adviesaanvraag. De ondernemingsraad stelt dat een zorgvuldige onderbouwing van de formatiereductie ontbreekt. De ondernemingsraad stelt daarnaast dat de toelichting formatieberekening niet op een zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en eenzijdige en gebrekkige informatie bevat. De OR adviseert dan ook negatief. De gemeente Amsterdam neemt vervolgens het besluit tot reorganisatie van de Stadsbank van Lening.

Oordeel Ondernemingskamer:

De Ondernemingskamer gaat als eerste in op de reikwijdte van de adviesaanvraag. De Ondernemingskamer acht het van belang dat de bezuinigingsmaatregel en de formatiereductie, vanwege het primaat van de politiek, niet is onderworpen aan medezeggenschap. In het licht van deze reikwijdte is, naar het oordeel van de Ondernemingskamer, de inhoud van de adviesaanvraag toereikend. De Ondernemingskamer oordeelt daarnaast dat de toelichting formatieberekening voldoende specifiek is onderbouwd is. Dit brengt de Ondernemingskamer tot het oordeel dat de adviesaanvraag voldoende inzicht biedt voor een adequate advisering door de ondernemingsraad. Vervolgens oordeelt de Ondernemingskamer dat de door de ondernemingsraad over de formatiereductie gestelde vragen door de bestuurder zijn beantwoord. Het feit dat de ondernemingsraad deze antwoorden niet in zijn advies heeft betrokken of hier nadere vragen over heeft gesteld acht de Ondernemingskamer van belang om tot het oordeel te komen dat de gemeente Amsterdam, onder deze omstandigheden, niet gehouden was om een onafhankelijk extern methodologisch onderzoek uit te voeren.

De Ondernemingskamer oordeelt: “De ondernemingsraad heeft gewezen op het uitgangspunt dat het aan de ondernemingsraad is (en niet de bestuurder) om te bepalen welke informatie hij nodig heeft om tot een weloverwogen advies te kunnen komen. Dat uitgangspunt neemt niet weg dat in het onderhavige geval niet blijkt dat de bestuurder aan de ondernemingsraad enige informatie heeft onthouden die de ondernemingsraad redelijkerwijs nodig had om te kunnen adviseren”.

De Ondernemingskamer concludeert dat de bezwaren van de ondernemingsraad niet leiden tot het oordeel dat de gemeente Amsterdam bij afweging van alle betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot het besluit. De verzoeken van de ondernemingsraad worden afgewezen.

Commentaar:

Het is vaste jurisprudentie van de Ondernemingskamer dat de ondernemingsraad bepaalt welke informatie hij nodig heeft om tot zijn advies te komen. Deze uitspraak laat zien dat de informatieplicht van de bestuurder niet onbeperkt is. De bestuurder is gehouden informatie te verstrekken die redelijkerwijs noodzakelijk is om adequaat te kunnen adviseren. Wat redelijkerwijs noodzakelijk is wordt mede bepaald door de reikwijdte van de adviesaanvraag en de mate waarin de adviesaanvraag met stukken is onderbouwd. Een extern onafhankelijk onderzoek kan in gegeven omstandigheden aan de orde zijn, maar dan moet het gevraagde onderzoek wel vallen binnen de reikwijdte van het gevraagde advies én moet het aannemelijk zijn dat de uitkomsten van het gevraagde onderzoek nodig zijn om te komen tot een gewogen advies. Het is aan de ondernemingsraad om dit (enigszins) aannemelijk te maken.

Uitspraak: Ondernemingskamer van Gerechtshof Amsterdam 26 november 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:4824

Datum
14 februari 2017

Rechtsgebied
Medezeggenschapsrecht

Ok 26 november 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:4824

Nieuwsbrief

Meer informatie