| samen sterk in arbeidsrecht

© 2018 Sprengers Advocaten
Maatwerk software door Way2Web

Kroniek: Geschillenbeslechting onder de WMS in 2013

2013 was een vrij mager jaar als het gaat om het aantal uitspraken van de Landelijke Commissie voor Geschillen WMS (hierna LCG) en om beschikkingen van de Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam die handelen over de Wet medezeggenschap op scholen (WMS). De LCG deed in 34 zaken uitspraak, onder te verdelen in 3 adviesgeschillen, 7 instemmingsgeschillen en 4 interpretatiegeschillen. De Ondernemingskamer (hierna ook OK) kwam er in 2013 niet aan te pas als het gaat om de WMS. In deze (derde) kroniek een bespreking van alle uitspraken met bijzondere aandacht voor de vraag of er nu duidelijkheid is als het gaat om de ontvankelijkheid bij de LCG of de Ondernemingskamer in het geval er ten onrechte door het bevoegd gezag niet om advies is gevraagd.

1. Instemmingsgeschillen

In de eerste te bespreken zaak was aan de orde een voorgenomen besturenfusie tussen een school voor voortgezet speciaal onderwijs en een school voor speciaal onderwijs. Het bevoegd gezag kreeg niet de op grond van artikel 10 onder h WMS vereiste instemming van de MR en wenste zijn voorstel desondanks te handhaven. Ter beoordeling lag dus voor of de MR in redelijkheid tot het onthouden van instemming had kunnen komen of dat er sprake was van zwaarwegende omstandigheden die het voorstel van het bevoegd gezag rechtvaardigden.
Als reden voor de noodzaak van een fusie gaf het bevoegd gezag onder meer aan het belang van een eenduidig onderwijsaanbod voor cluster 4-leerlingen in de regio, verdergaande professionalisering van de onderwijsorganisaties en bestuurlijke versterking. De MR stelde daar tegenover dat vanwege het verschil in leerlingenpopulatie er niet of nauwelijks sprake was van doorstroming van leerlingen van de ene school naar het voortgezet speciaal onderwijs. De MR zag de meerwaarde van de fusie dan ook niet. Dat acht de LCG echter onvoldoende afdoen aan de overige redenen voor de fusie en dit argument rechtvaardigt niet het onthouden van instemming aan het voorgenomen besluit tot fusie. Argumenten van de MR die handelden over het niet hebben verkregen van voldoende inzicht over de bestuurlijke verhoudingen na de fusie troffen eenzelfde lot. De LCG stelt vast dat over die verhoudingen weliswaar nog niet alle informatie beschikbaar was, maar dat dat nog niet leidt tot de conclusie dat er onvoldoende inzicht is in de toekomstige verhoudingen. Ook het argument van de MR dat de bezetting van het toekomstige managementteam te ruim was en dat zou kunnen worden volstaan met een eenhoofdige directie achtte de LCG onvoldoende onderbouwd om de onthouding van instemming te kunnen billijken.

Stond de MR aldus met 3-0 achter, na de rust werden de bordjes verhangen. Het argument van de MR dat er onvoldoende inzicht was geboden in de financiële en vermogenspositie van de nieuw op te richten rechtspersoon werd door de LCG gedeeld. Er waren weliswaar veel gegevens overgelegd, maar die gegevens waren zodanig ontoegankelijk gepresenteerd dat niet gesproken kon worden van een deugdelijke informatievoorziening op basis waarvan de MR zich een oordeel had kunnen vormen. Daarmee had naar het oordeel van de LCG het bevoegd gezag zich onvoldoende gekweten van zijn verplichting tot het tijdig verstrekken van alle inlichtingen die de MR voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijze nodig heeft, zoals artikel 8 lid i WMS voorschrijft.
Voorts stelde de MR zich op het standpunt dat voorzienbaar zou zijn dat als gevolg van de invoering van passend onderwijs de werkgelegenheid van de ambulante begeleiders in het gedrang zou komen. De MR wenste daarom dat er voor elke school ook na de fusie een aparte afvloeiingslijst zou gelden. De LCG stelt vast dat er onduidelijkheid bestaat of aan die wens tegemoet gekomen kan en zal gaan worden. Die onzekerheid over de gevolgen van de fusie voor het personeel maakt dat ook op deze grond de MR in redelijkheid zijn instemming aan het voorgenomen besluit tot fusie had kunnen onthouden.

Zwaarwegende omstandigheden die het besluit rechtvaardigen zag de LCG niet. De redenen voor de fusie zijn niet zwaarwegend genoeg en er zijn door het bevoegd gezag geen “urgente organisatorische, financiële of andere belangen naar voren gebracht die tot het oordeel moeten leiden dat er geen tijd meer zou zijn om de in het verzoek tot instemming geconstateerde gebreken te helen”. Daarmee zegt de LCG dat als het bevoegd gezag in dit geval duidelijkheid schept over de personele gevolgen en inzicht geeft in de financiele positie van de nieuwe rechtspersoon, er niets aan een fusie in de weg staat.[i]

In een zaak waarin het bevoegd gezag wenste over te gaan tot een fusie van twee basisscholen trekt het bevoegd gezag eveneens aan het kortste eind omdat vastgesteld wordt dat er sprake is van het onvoldoende verstrekken van relevante informatie. In de kern genomen komt het er op neer dat het bevoegd gezag wenst te fuseren en het eerste jaar na de fusie wenst te benutten om invulling te geven aan zaken die liggen op onderwijsinhoudelijk terrein, op personeelsgebied, huisvesting, medezeggenschap en de gevolgen voor leerlingen en ouders. Daarmee is de MR onvoldoende inzicht geboden in de mogelijke gevolgen van de fusie, hetgeen op grond van artikel 8 WMS wel had dienen te gebeuren. Het onthouden van instemming aan het voorgenomen besluit tot fusie was dan ook redelijk. Het bevoegd gezag voerde nog aan dat de situatie van een van de scholen zodanig was dat sluiting onvermijdelijk was, maar de LCG oordeelt dat op basis van de gemiddelde schoolgrootte die school nog in stand gehouden kan worden en daarmee is er van zwaarwegende omstandigheid in de zin van een noodzaak tot opheffing van een van de twee scholen geen sprake.

De LCG stelt voorts vast dat ten onrechte geen instemming aan de MR is gevraagd over de fusie-effectrapportage. Artikel aanhef onder h WMS schrijft dat voor. De Commissie laat dit verder buiten de beoordeling omdat een vordering tot naleving van de WMS voorgelegd dient te worden aan de Ondernemingskamer.[ii]

In een derde instemmingsgeschil vroeg het bevoegd gezag om instemming voor de vaststelling van het plan van aanpak invoering functiemix. De PGMR weigerde zijn instemming aan het voorgenomen besluit te geven op grond van het feit dat in het plan van aanpak niet was opgenomen dat een MR-lid deel zou uitmaken van de sollicitatiecommissie als er sprake zou zijn van werving van interne kandidaten. Het bevoegd gezag achtte het ongewenst dat een sollicitant dan bij een sollicitatie geconfronteerd zou worden met een directe collega en meende bovendien dat schending van vertrouwelijkheid dan op de loer zou kunnen liggen. De LCG is bepaald niet onder de indruk van deze argumenten. De Commissie stelt voorop begrip te hebben voor het feit dat de MR vanuit zijn functionele betrokkenheid bij de organisatie deel uit wil maken van de sollicitatieprocedure. Nu de MR in beginsel wel betrokken wordt bij externe sollicitaties valt niet in te zien waarom dat bij interne sollicitaties niet van belang zou zijn. Immers ook dan gaat het om het maken van een afweging tussen verschillende kandidaten of het geven van een oordeel over een kandidaat. Dan kan het deelnemen van een MR-lid aan de procedure van toegevoegde waarde zijn. Het argument van vertrouwelijkheid slaagt evenmin, omdat de sollicitatiecode die deel uit maakt van de cao po een geheimhoudingsverplichting kent. Het onthouden van instemming was dan ook redelijk en zwaarwegende omstandigheden die het voorstel zouden rechtvaardigen waren niet aangevoerd.[iii]

Het vierde geschil betrof de overdracht van tien basisscholen door het bevoegd gezag. Reden daarvoor was een gemeentelijke herindeling waarbij de gemeente waar de tien scholen gevestigd zijn, werd opgedeeld over vier andere gemeenten. In de statuten van de stichting is bepaald dat de gemeenteraad te allen tijde een aan de stichting overgedragen school opnieuw zelf in stand kan gaan houden of kan overdragen aan een andere rechtspersoon. De gemeenten zullen, zo blijkt volgens de LCG, van die bevoegdheid gebruik gaan maken. Daarmee staat ook vast dat op termijn de scholen, althans
een substantieel deel daarvan, aan het bevoegd gezag zullen worden onttrokken. Dat maakt dat ondanks het onthouden van instemming (dat door de LCG als redelijk wordt beoordeeld), er sprake is van een “bepaalde zwaarwegende omstandigheid die het voorstel van het bevoegd gezag rechtvaardigt.” Op dat oordeel valt naar mijn mening het nodige af te dingen. Voor zover uit de uitspraak valt af te leiden is er wel iets te zeggen voor het argument van de GMR dat nog maar moet blijken of de betreffende gemeenten gebruik gaan maken van de statutair gegeven mogelijkheid. Bij de processtukken zit kennelijk een brief van een van de wethouders van een van de gemeenten waaruit blijkt dat die gemeente er naar streeft de scholen onder te brengen bij de in die gemeente werkzame stichting. De andere gemeenten zouden volgens deze wethouder hetzelfde voornemen hebben. Het komt dan toch wat vreemd over om wat kennelijk nog niet meer is dan een (politiek) voornemen waarover de gemeenteraden zich nog moeten uitlaten in dit stadium van die politieke besluitvorming al te zien als een zwaarwegende omstandigheid. Dat lijkt mij pas aan de orde te kunnen zijn als het politieke besluitvormingsproces is afgerond.[iv]
Dan de zaak van de Stichting Centrale Dienst SWV Amsterdam West.[v] De bekostiging van dit samenwerkingsverband stopt op 1 augustus 2014. Om die reden is in het formatieplan, dat ter instemming aan de MR wordt voorgelegd, opgenomen dat de functies van alle werknemers per 1 augustus 2013 in het risicodragend deel van de formatie (rddf) worden geplaats, omdat als dit niet gedurende een schooljaar is gebeurd de cao po bepaalt dat dan het dienstverband niet kan worden opgezegd. De MR onthoudt zijn instemming vanwege de rddf-plaatsing van de functies van alle medewerkers. De LCG toont begrip voor de onzekerheid voor het personeel en de poging die onzekerheid te reduceren, maar vindt het onthouden van instemming aan het formatieplan niet de aangewezen weg daartoe. Nu zeker is dat de bekostiging gestaakt wordt is de rddf-plaatsing onafwendbaar. De Commissie wijst er nog op dat het bevoegd gezag zich gedurende het rddf-jaar dient in te spannen om te voorkomen dat werknemers werkloos worden en wijst er op dat ontslag na rddf-plaatsing geen automatisme is omdat niet ondenkbaar is dat een deel van de werknemers herplaatst zal worden in het nieuwe samenwerkingsverband. Het onthouden van instemming is dan ook niet redelijk.[vi]

Het zesde geschil betrof een zaak waarin aan de oudergeleding van de MR (OMR) instemming was gevraagd met een wijziging van de schoolgids waar het betrof het gewijzigde aannamebeleid van leerlingen. De OMR onthield instemming aan het voorstel, waarna het bevoegd gezag een instemmingsgeschil aan. de LCG voorlegde. De LCG stelde vast dat een wijziging van het beleid met betrekking tot de toelating van leerlingen valt onder het adviesrecht van de MR conform artikel 11 sub j WMS. Dat het vastgestelde toelatingsbeleid wordt opgenomen in de schoolgids doet daar niets aan af nu het beleid als zodanig niet wordt vastgesteld in de schoolgids. Er had dus advies gevraagd dienen te worden aan de MR en niet om instemming moeten worden verzocht aan de OMR zodat het verzoek van het bevoegd gezag niet-ontvankelijk werd geoordeeld.[vii].
Niet-ontvankelijkheid was ook het lot van de verzoeken van het bevoegd gezag dat een geschil aanging met de personeelsgeleding van een deelraad (PDMR). Kern van de zaak was een verzoek tot instemming met de lessentabel. Daarbij werden drie scenario’s als mogelijkheid beschreven. Instemming werd enkel gevraagd over scenario 2. Nadat instemming was geweigerd vroeg het bevoegd gezag weliswaar vervangende instemming voor de invoering van scenario 2, maar duidelijk werd dat in de praktijk toch scenario 3 zou worden ingevoerd. De Commissie stelde vast dat, mede wegens het ontbreken van draagvlak bij het personeel, het bevoegd gezag geen belang heeft bij vervangende instemming omdat het besluit toch niet ten uitvoer zal worden gebracht. Daarmee is het verzoek niet ontvankelijk. Voor zover het bevoegd gezag beoogd heeft vervangende instemming te krijgen voor het vaststellen van scenario 3 is het verzoek evenzeer niet-ontvankelijk nu een instemmingsgeschil op grond van het bepaalde in artikel 32 lid 1 WMS alleen aan de LCG kan worden voorgelegd als aan een besluit instemming is onthouden. Nu aan de PDMR scenario 3 niet ter instemming is voorgelegd, heeft de PDMR daaraan zijn instemming ook niet kunnen onthouden.[viii]

2. Adviesgeschillen

In een adviesgeschil over de opheffing van een openbare school stelt de MR zich onder meer op het standpunt dat de gevolgen van dat besluit tegelijkertijd met de adviesaanvraag ter instemming moeten worden voorgelegd aan de geledingen. Dat standpunt volgt de LCG niet. Bij de adviesaanvraag kan volstaan worden met een globale beschrijving van de gevolgen. Naderhand kan dan zowel aan de personeels- als aan de oudergeleding instemming gevraagd worden over de gevolgen van de opheffing. De LCG wijst ook op artikel 15 lid i WMS waarin is bepaald dat een besluit als dit pas mag worden uitgevoerd als er een definitief besluit is genomen over de regeling van de gevolgen voor personeel, ouders en leerlingen. Dat oordeel acht ik op zichzelf genomen juist. Anders dan in artikel 25 lid 3 WOR, waarin is vastgelegd dat in een adviesaanvraag ook moet worden opgenomen wat de gevolgen zijn voor het personeel en welke maatregelen er worden getroffen om die gevolgen op te vangen, is dat in de bepaling over het adviesrecht in de WMS niet voorgeschreven. De systematiek is dat naast (of na) het adviesrecht de verschillende geledingen nog gebruik kunnen maken van hun instemmingsrecht met betrekking tot de gevolgen van het besluit. Het nadeel is dan wel dat het primaire besluit tot opheffing van de school juridisch onaantastbaar is geworden.[ix]

Het tweede adviesgeschil draaide allereerst om de vraag of de Commissie wel bevoegd was omdat de personeelsgeleding inmiddels uit de MR was gestapt. Konden de 4 leden van de oudergeleding wel rechtsgeldig besluiten een adviesgeschil aanhangig te maken nu voor het nemen van een besluit een meerderheid (en dus 5 stem-men in plaats van 4) vereist is? De Commissie meent dat dit tot gevolg zou hebben dat elke besluitvorming binnen de MR onmogelijk zou zijn en acht dat een ongerijmd en ongewenst gevolg van het staken van de deelname aan de medezeggenschapsactiviteiten door de personeelsleden van de raad. De bijzondere omstandigheden maken dat de Commissie er van uit gaat dat het besluit rechtsgeldig is genomen en de Commissie bevoegd is.[x]

Een tweede vraag handelde over de benoeming van een tijdelijke directeur, een man die volgens de MR qua tactisch en empathisch vermogen en qua communicatieve vaardigheden ernstig tekort schoot. Maar belangrijker was dat onderdeel van de benoemingsprocedure een `draagvlakmeting’ was en die was naar de mening van de MR ten onrechte niet uitgevoerd. De LCG volgt dit standpunt en meent dat het niet volgen van de vooraf overeengekomen procedure maakt dat het bevoegd gezag in redelijkheid niet tot zijn benoemingsbesluit had kunnen komen en bepaalde dat het besluit niet in stand kon blijven.[xi]

3. Adviesgeschil: Ondernemingskamer of LCG?

Een tweede adviesgeschil handelde eveneens over de sluiting van een school. In eerste instantie waren partijen verdeeld over de vraag of er sprake was van een adviesrecht voor de deelraad hierover. Omdat tijdens de zitting duidelijk werd dat partijen hierover niet meer van mening verschilden, stelde de LCG vast dat er geen sprake meer was van een interpretatiegeschil. Met betrekking tot het geschil over het adviesrecht verklaarde de LCG de deelraad niet ontvankelijk, omdat er geen sprake was van een besluit als bedoeld in artikel 31 onder aanhef en onder c WMS, dat was genomen op basis van een uitgebracht advies door de deelraad. De deelraad had zich dienen te wenden tot de Ondernemingskamer met een vordering tot naleving van de WMS.[xii] Dit oordeel verbaast, omdat het lijnrecht in gaat tegen de opvatting van de Ondernemingskamer over de taakverdeling tussen LCG en Ondernemingskamer bij dit soort geschillen.[xiii] In een geschil over de vraag of ten onrechte niet om advies was gevraagd aan de deelraad over de sluiting van OBS De Zwanenburcht, oordeelde de Ondernemingskamer dat geschillen tussen het bevoegd gezag en de medezeggenschapsraad (of deelraad) “over een besluit ten aanzien waarvan de wet … een advies- of instemmingsbevoegdheid toekent, behoren tot de competentie van de landelijke commissie voor geschillen. In geval van een advies plichtig besluit (zoals het besluit tot sluiting van De Zwanenburcht) kan de commissie op de voet van artikel 34 lid 3 WMS beslissen of het betrokken besluit al dan niet in stand kan blijven.” Van de uitspraak van de LCG kan vervolgens in beroep worden gegaan bij de Ondernemingskamer. De Ondernemingskamer geeft aan dat dit wettelijk systeem niet kan worden doorkruist in dergelijke situaties met het instellen van een vordering tot naleving van de wet op grond van artikel 36 lid 1 en 2 WMS. De LCG verwijst naar artikel 31 sub c WMS waarin is bepaald dat de Commissie bevoegd is als het bevoegd gezag het uitgebrachte advies niet of niet geheel volgt. De WOR kent een vergelijkbare bepaling in artikel 26 lid 1. Tegen een besluit kan beroep worden ingesteld “wanneer het besluit niet in overeenstemming is met het advies”. De wetgever gaat er dus zowel in de WMS als in de WOR van uit dat het bevoegd gezag of de ondernemer advies vraagt waar dat is voorgeschreven. De vraag is of een besluit zonder dat advies is gevraagd toch ook onder het bereik van deze rechtsgang valt. De Ondernemingskamer acht zich sinds jaar en dag bevoegd om in een geval waarin ten onrechte geen advies wordt gevraagd te bepalen dat de ondernemer om die reden niet in redelijkheid tot zijn besluit had kunnen komen.[xiv] De uitspraak van de LCG in deze zaak is in strijd met de taakverdeling tussen LCG en Ondernemingskamer, zoals deze laatste nog zeer recent heeft vastgesteld. Ook vanwege het feit dat in de motivering van de uitspraak de LCG niet te kennen geeft bewust een ander standpunt dan de Ondernemingskamer te willen innemen, ga ik er vooralsnog vanuit dat de opvatting van de Ondernemingskamer als de juiste uitleg van de WMS moet worden gezien. Het verdient aanbeveling dat de LCG zich richt naar het oordeel van de Ondernemingskamer om te voorkomen dat een MR zowel bij de LCG als bij de Ondernemingskamer tegen niet-ontvankelijkheid aanloopt.[xv] Dat laatste kan uiteraard niet de bedoeling zijn!

4. Interpretatiegeschillen

In het eerste interpretatiegeschil is de vraag aan de orde hoe het woord ‘vooraf’ moet worden gelezen zoals dat voorkomt in de aanhef van artikel n WMS: “De medezeggenschapsraad wordt vooraf in de gelegenheid gesteld om advies uit te brengen over elk door het bevoegd gezag te nemen besluit met betrekking tot…” In dit geval ging het om de sluiting van een school. Voordat de MR om advies was gevraagd had het bevoegd gezag al overleg gevoerd met de raad van toezicht en de wethouder van onderwijs en was een ander schoolbestuur geconsulteerd over de mogelijkheid van toelating van leerlingen na de – eventuele – sluiting van de school.
De LCG oordeelt dat het woord `vooraf’ in artikel 11 WMS moet worden gelezen in samenhang met artikel 17 aanhef en onder a WMS, waarin is bepaald dat advies moet worden gevraagd op een zodanig tijdstip dat het advies van wezenlijke invloed kan zijn op de besluitvorming. Het woord impliceert niet dat ook voor het bekendmaken aan derden van een voorgenomen besluit al advies moet worden gevraagd. De LCG overweegt dat er tijdig advies wordt gevraagd als er nog geen onomkeerbare stappen zijn gezet. Het gevoerde overleg en het consulteren van een ander schoolbestuur over eventuele toelating van leerlingen zijn aan te merken als “gebruikelijke voorbereidingshandelingen”. Dat laatste is ook niet aan te merken als het regelen van de gevolgen van het besluit voor de ouders of leerlingen als bedoeld in artikel 13 lid 1 sub a WMS.[xvi]
Een tweede interpretatiegeschil handelde over de vraag of de MR in de gelegenheid moest worden gesteld te adviseren over het ontslag van de schoolleiding, zoals voorgeschreven in artikel n sub h WMS, in het geval er een beëindigingsovereenkomst tussen de directeur en het bevoegd gezag is gesloten. Eerder oordeelde de LCG dat bij een vrijwillig vertrek er geen sprake kan zijn van een adviesrecht van de MR omdat dit de vrije arbeidskeuze van de schoolleiding zou doorkruisen.[xvii] Men zou op het eerste gezicht denken dat er bij het sluiten van een beëindigingsovereenkomst sprake is van wederzijds goedvinden en daarmee van vrijwillig vertrek. Maar de LCG stelde vast dat in een brief van de directeur aan de ouders van de leerlingen van de school wordt gesproken van “een onoverkomelijk verschil van visie op de wijze waarop de werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd”. Daarmee is er volgens de LCG geen sprake van een vrijwillig vertrek op initiatief van de directeur. Integendeel, “aan het vertrek ligt (…) een onoverbrugbaar verschil van visie op het te voeren beleid ten grondslag, hetgeen in het licht van de bepalingen van de WMS bij uitstek iets is waarbij de medezeggenschap betrokken hoort te zijn”. De beslissing van het bevoegd gezag om tot de beëindigingsovereenkomst met de voormalige directeur te komen is dan ook aan te merken als een besluit met betrekking tot ontslag van de schoolleiding als genoemd in artikel II onder 11 WMS.[xviii]

In een andere zaak oordeelde de LCG dat ook de overplaatsing van een lid van de schoolleiding op initiatief van het bevoegd gezag valt onder het adviesrecht van artikel 11 sub 11 WMS. Hoewel het bevoegd gezag de stelling betrok dat er sprake was van een vrijwillige overplaatsing geeft de LCG aan dat daarvan niet is gebleken.[xix] Met de overplaatsing wordt de adjunct-directeur van haar taken ontheven en dus is er sprake van ontslag van de schoolleiding.

Ik zou in beide zaken menen dat de LCG niet terugkomt op de aangehaalde uitspraak uit 2012, maar – en terecht – vasthoudt aan het uitgangspunt dat er alleen dan niet van een adviesrecht sprake is als de schoolleiding geheel op eigen initiatief en dus vrijwillig vertrekt. Is er sprake van een beëindiging of overplaatsing op initiatief van het bevoegd gezag, dan valt dat onder het ontslag van de schoolleiding als bedoeld in artikel 11 sub h WMS.

In de laatste te bespreken zaak besloot het bevoegd gezag om als oplossing voor de wachtlijsten in de komende twee jaar een extra kleutergroep te formeren. De vraag die daarbij aan de LCG was voorgelegd was of dit besluit te zien is als een belangrijke uitbreiding van de werkzaamheden van de school als bedoeld in artikel 11 sub c WMS. Het bevoegd gezag betrok de stelling dat het begrip uitbreiding van werkzaamheden alleen ziet op een inhoudelijke uitbreiding van de werkzaamheden. Voor die beperkte uitleg vindt de LCG geen steun in de WMS noch in de wetsgeschiedenis. Ook een kwantitatieve toename van de werkzaamheden dient hieronder te worden verstaan. De LCG overweegt dat van een belangrijke uitbreiding sprake is als het gaat om een wezenlijke, structurele of in kwantitatief opzicht aanzienlijke uitbreiding. Nu er sprake is van een toename van het aantal leerlingen met 26% in twee jaar is dat een aanzienlijke uitbreiding. Het bevoegd gezag gaf zelf in het verzoekschrift aan dat de extra kleutergroep “op termijn mogelijk een verdubbeling van de school” zou kunnen betekenen, zodat ook sprake was van een structurele uitbreiding. De voorgenomen uitbreiding zou bovendien moeten leiden tot een aanpassing van het schoolplan 2011-2015 nu door de extra kleutergroep de school uit zou stijgen boven het in het schoolplan genoemde aantal van 9 groepen en boven het beoogde maximum aantal leerlingen. Het besluit om een extra kleutergroep te formeren is dus te zien als een belangrijke uitbreiding van de werkzaamheden van de school en valt dan ook onder het adviesrecht van de MR.[xx]
Deze laatste uitspraak impliceert naar mijn mening een wijziging in de jurisprudentie. In een zaak uit 2003 was aan de orde de vraag of een teruggang in het aantal groepen viel onder het begrip belangrijke inkrimping van de werkzaamheden. De toenmalige commissie (onder de WMO 1992, maar wel met een eensluidende bepaling als thans opgenomen in de WMS) oordeelde dat het bij een belangrijke inkrimping ging om het zogenaamde instandhoudingsbeleid. “Bij inkrimping van de werkzaamheden valt bijvoorbeeld te denken aan het afstoten van een vmbo-afdeling aan een school voor voortgezet onderwijs[xxi].” Dat lijkt naar aanleiding van de uitspraak uit 2013 achterhaald. Als er sprake is van een wezenlijke, structurele of in kwantitatief opzicht aanzienlijke inkrimping zou thans de conclusie voor de hand liggen dat er dan sprake is van een belangrijke inkrimping in de zin van artikel 11 sub c WMS. Of dat zo is, zal in een voorkomend geval moeten blijken.

5. Conclusie

Een kroniek als deze is per definitie nogal casuïstisch van aard. Toch is er wel een conclusie te trekken. Een belangrijke ontwikkeling in 2013 is dat er meer duidelijkheid is gekomen over de vraag wanneer er sprake is van ontslag van de schoolleiding. Dat is het geval als het initiatief tot het vertrek van de schoolleiding ligt bij het bevoegd gezag, ongeacht de vorm waarin het ontslag is gegoten.
Duidelijk is ook geworden dat van een uitbreiding van de werkzaamheden niet alleen sprake is als men de werkzaamheden inhoudelijk uitbreidt. Ook een kwantitatieve uitbreiding, mits structureel en aanzienlijk, leidt tot een adviesrecht voor de MR. En de belangrijkste constatering is dat het probleem over de ontvankelijkheid in een geval waarin het bevoegd gezag ten onrechte geen advies heeft gevraagd in 2013 niet is opgelost. Op dat terrein is er voor de LCG in 2014 werk aan de winkel!

Noten
[i] LCG, 4 januari 2013, nr.105596. Alle in dit artikel genoemde uitspraken zijn te vinden op www.onderwijsgeschillen.nl .

[ii] LCG, 9 juli 2013, nr.105783, zie ook J. Sperling, School en Wet 2013-5, noot bij uitspraken 83 en 83.

[iii] LCG, 20 maart 2013, nr.105620.

[iv] LCG, 28 maart 2013, nr.105648, ook besproken door H. Mertens, MR-magazine nummer 5, september 2013, p. 16-17.

[v] Alle uitspraken van de LCG zijn geanonimiseerd. Het waarom is mij een raadsel. Maar in deze uitspraak vergeet de LCG een keer de naam van de Stichting aan te geven als A te B.

[vi] LCG, 28 juni 2013, nr.105853

[vii] LCG, 6 november 2013, nr.105919

[viii] LCG, 8 augustus 2013, nr.105777

[ix] LCG, 10 juni 2013, nr.105764.

[x] Zie voor een voorbeeld onder de WOR: Pres. Rb. Rotterdam, 27 april 1990, niet gepubliceerd, besproken in SR 1990-10, p. 293.

[xi] LCG, 9 december 2013, nr.105970

[xii] LCG, 21 augustus 2013, nrao5863.

[xiii] Ondernemingskamer 17 juli 2012, LJN BX 1685, ARO 2012/118. Zie ook A. Joosten, ‘Kroniek: Geschillenbeslechting onder de WMS, een vervolg’, School en Wet, 2013-1, p.23en J. Sperling, `De Wet medezeggenschap op scholen toegelicht’,
Onderwijsgeschillen, Utrecht 2013, p. 220-221.
[xiv] Ondernemingskamer 1 mei 1980, ROR 1971-1984, nr. 79.

[xv] Zie ook J. Sperling, School en Wet 2013-5, noot bij uitspraken 83 en 84. Zij geeft aan dat het wachten is op een volgend arrest van de Ondernemingskamer met een duidelijker uitleg. lk ben daarentegen van mening dat de LCG aan zet is en de Ondernemingskamer zou moeten volgen.
[xvi] LCG, 15 april 2013, nr. 105633

[xvii] LCG, 12 juni 2012, nr.105346. Zie ook A. Joosten, ‘Kroniek: Geschillenbeslechting onder de WMS, een vervolg, School en Wet 2013-1, p.24, J. Sperling, ‘De Wet medezeggenschap op scholen toegelicht’, Onderwijsgeschillen, Utrecht 2013, p. 101-105, H. Mertens, MR Magazine nr.1, januari 2013, p. 16-17.
[xviii] LCG, 19 augustus 2013, nr.105768.

[xix] LCG, 11 september 2013, nr.105780.

[xx] LCG, 26 september 2013, nr.105822. Zie ook H. Mertens, MR Magazine nr. 7, november 2013, p.16-17.

[xxi] LGC, 19 december 2003, nr. G689.

Datum
17 augustus 2014

Rechtsgebied
Medezeggenschapsrecht

Geplaatst in
School en Wet – juni 2014 – pag. 15-19

Nieuwsbrief

Meer informatie