| samen sterk in arbeidsrecht

© 2018 Sprengers Advocaten
Maatwerk software door Way2Web

Opzegging van protocol met vakbonden niet onredelijk

In het kader van de overname van de aandelen in een bouwbedrijf door een concern is tussen het concern en de vakbonden een protocol overeengekomen waarin is vastgelegd wat de gevolgen zijn van de overgang, onder meer voor de arbeidsverhoudingen en voor de werknemers. Daarnaast is tussen de centrale ondernemingsraad van de bouwonderneming enerzijds en het concern en de bouwonderneming anderzijds, een ‘ondernemingsovereenkomst overdracht aandelen’ tot stand gekomen. Wanneer het concern het protocol opzegt en tevens door de bouwonderneming het lidmaatschap van Bouwend Nederland wordt beëindigd, vorderen de vakbonden in kort geding het concern te bevelen de opzegging van het protocol ongedaan te maken en het lidmaatschap van de bouwonderneming te hernieuwen op straffe van een dwangsom.

Artikel 32, Wet op de ondernemingsraden (WOR) Rechtbank Den Haag, Team Handel voorzieningenrechter, 25 april 2014 – (KG ZA 14-264)

Feiten

In juli 2010 heeft het concern de aandelen in de bouwonderneming van de Nederlandse Spoorwegen (NS) overgenomen. Voorafgaand aan de overdracht van de aandelen is tussen de bouwonderneming en het concern enerzijds en de centrale ondernemingsraad van de bouwonderneming anderzijds, een ‘ondernemingsovereenkomst overdracht aandelen’ tot stand gekomen. Hierin zijn afspraken vastgelegd in het kader van een door de Centrale Ondernemingsraad uitgebracht advies over de (voorgenomen) overdracht van de aandelen. Met betrekking tot personele rechten is in de ondernemingsovereenkomst vastgelegd dat alle bestaande rechten en aanspraken van de medewerkers uit hoofde van de individuele arbeidsovereenkomst, arbeidsvoorwaardenregelingen, pensioenregelingen, bedrijfseigen regelingen en toepasselijke cao’s na de aandelenoverdracht behouden zullen blijven. Uit de bepalingen van de overeenkomst kan worden afgeleid dat deze is aangegaan voor een periode van drie jaar vanaf de aandelenoverdracht.

Eveneens in juli 2010 is tussen het concern en de vakbonden een ‘protocol inzake de overgang’ tot stand gekomen. Hierin hebben partijen willen vastleggen c.q. willen verklaren wat de gevolgen zijn van de overgang van de aandelen voor de werkgelegenheid, ten aanzien van het naleven van de geldende cao’s, ten aanzien van de bestaande arbeidsverhoudingen en ten aanzien van de medezeggenschap.
In december 2013 heeft de bouwonderneming haar lidmaatschap van Bouwend Nederland per 1 januari 2014 beëindigd. In juli 2013 heeft het concern aan de vakbonden medegedeeld dat de verklaring zoals vastgelegd in het protocol wordt ingetrokken. Als reden hiervoor is opgegeven dat de ontwikkelingen bij haar dochterondernemingen als gevolg van de gewijzigde omstandigheden binnen het marktsegment, alsmede het tijdsverloop van drie jaar sinds het ondertekenen van het protocol, meebrengen dat het concern zich voor de toekomst niet langer kan verenigen met de eerder uitgesproken intenties voor zover deze haar wettelijke plichten overstijgen.

De vakbonden hebben hierop laten weten deze eenzijdige opzegging niet te accepteren. De vakbonden vorderen in kort geding te bevelen de opzegging van het protocol ongedaan te maken en het lidmaatschap van de bouwonderneming bij Bouwend Nederland te hernieuwen, op straffe van een dwangsom.

Oordeel kantonrechter

De vakbonden hebben onder meer gesteld dat het concern niet gerechtigd was het protocol op te zeggen. De partijen hebben geen afspraken gemaakt over beëindiging van het protocol. Het protocol is een overeenkomst voor onbepaalde tijd en tenzij sprake is van voldoende zwaarwegende redenen op grond waarvan de nakoming van een of meer van de afspraken in het protocol naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer zou kunnen worden gevergd, dient het protocol onverkort worden nagekomen. De onderbouwing die het concern in haar brief geeft, is onvoldoende en al helemaal zonder hierover eerst in overleg treden met de vakbonden. Ook de opzegging bij Bouwend Nederland, de werkgeversvereniging die voor de bouwonderneming cao’s met de vakbonden sluit, is in strijd met de in het protocol vastgelegde afspraken. Alleen via het lidmaatschap van Bouwend Nederland kan worden gegarandeerd dat de bouwonderneming kan deelnemen aan de onderhandelingen met betrekking tot de nieuwe cao en alleen als de bouwonderneming partij is bij de nieuwe cao zal zijn voldaan aan de vereiste meerderheid die benodigd is voor algemeen verbindendverklaring van cao’s.

Het concern stelt dat zij geen overeenkomst met de vakbonden heeft gesloten, maar dat het protocol als een intentieverklaring moet worden beschouwd. De voorzieningenrechter verwerpt dit en oordeelt dat voor wat betreft het naleven van de cao’s en de arbeidsvoorwaarden en het respecteren van de arbeidsverhoudingen, tussen partijen een bindende overeenkomst tot stand gekomen is, die verplichtingen voor het concern inhoudt.

De rechter oordeelt echter ook dat deze overeenkomst in beginsel opzegbaar is, tenzij de redelijkheid en de billijkheid zich daartegen verzetten. De partijen zijn het erover eens dat het protocol tot stand is gekomen in .verband met de overgang van de bouwonderneming naar het concern. Deze overgang is geregeld in de ondernemingsovereenkomst welke is aangegaan met de Centrale Ondernemingsraad.

Uit diverse bepalingen in de ondernemingsovereenkomst moet worden afgeleid dat partijen beoogd hebben de overgang uiterlijk in een periode van drie jaar te realiseren. Tussen partijen is niet in geschil dat deze overgang in juli 2013 is voltooid. Hoewel in het protocol niet is voorzien in een regeling met betrekking tot de beëindiging ervan is, gelet op de aanleiding voor de totstandkoming ervan en de samenhang met de ondernemingsovereenkomst, voorshands niet aannemelijk dat partijen beoogd hebben het protocol voor onbepaalde tijd aan te gaan. Daarom is de voorzieningenrechter van oordeel dat de opzegging van het protocol niet in strijd is met de redelijkheid en billijkheid. Daarbij acht de voorzieningenrechter van belang dat het concern een ruime opzegtermijn (zes maanden) in acht heeft genomen. Voorts is niet gebleken dat het concern of de bouwonderneming of een van de daaraan gelieerde werkmaatschappijen, sinds de opzegging van het protocol het beleid ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden en de rechten van hun werknemers hebben gewijzigd, noch dat de huidige cao niet langer gehandhaafd wordt.

De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van de vakbonden dan ook af.

Aantekening

Hoewel de ondernemingsovereenkomst ex artikel 36 WOR tussen de bestuurder en de Centrale Ondernemingsraad hier niet het hoofdonderwerp van het geding is, speelt deze overeenkomst hier toch een belangrijke rol. Deze overeenkomst wordt namelijk betrokken in de afweging van de voorzieningenrechter omtrent de opzegbaarheid van een protocol tussen de vakbonden en de ondernemers. Zo bezien krijgt de ondernemingsovereenkomst een reikwijdte die verder gaat dan de verhouding tussen medezeggenschap en bestuurder.

Let op

Het gaat hier om een kort geding-procedure. Dit betekent dat het oordeel van de voorzieningenrechter, in ieder geval in juridische zin een voorlopig oordeel betreft. Het kan zijn dat in het ruimere bestek van een eventueel nog volgende bodemprocedure tot een ander oordeel wordt gekomen.

Zie omtrent de opzegbaarheid van (ondernemings)overeenkomsten de in november 2013 besproken uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland, kamer voor kanton. Hierin werd geoordeeld dat wijziging slechts mogelijk is in overleg tussen partijen en dat eerst na redelijk overleg met de ondernemingsraad. Indien sprake is van zwaarwichtige redenen die de door de ondernemer gewenste aanpassing noodzakelijk maken, kan sprake zijn van een rechtsgeldige eenzijdige wijziging van een ondernemingsovereenkomst.

Datum
18 juni 2014

Rechtsgebied
Medezeggenschapsrecht

Geplaatst in
Raad van Medezeggenschap – Medezeggenschap algemeen – Afl. 5 – mei 2014 pag. 7-8

Nieuwsbrief

Meer informatie