| samen sterk in arbeidsrecht

© 2018 Sprengers Advocaten
Maatwerk software door Way2Web

OR en medezeggenschaps- en vennootschapsrecht: torn between two lovers?

Op 27 november 2014 heeft er een bijeenkomst plaatsgevonden van de Vereniging voor Arbeidsrecht (VvA). In het academisch jaar 2013/2014 zijn vier proefschriften verschenen waarin werd ingegaan op verschillende aspecten van het medezeggenschaps- en vennootschapsrecht.

TRA 2015/48

Mr. L.C.J. Sprengers[1]
1.         Inleiding

 

Op 27 november 2014 heeft er een bijeenkomst plaatsgevonden van de Vereniging voor Arbeidsrecht (VvA). In het academisch jaar 2013/2014 zijn vier proefschriften verschenen waarin werd ingegaan op verschillende aspecten van het medezeggenschaps- en vennootschapsrecht.[2] De VvA kent verschillende werkgroepen waarbinnen geïnteresseerden in het arbeidsrecht vanuit verschillende disciplines met elkaar een bepaald thema bepreken.[3]De werkgroep medezeggenschapsrecht, waarvan ik voorzitter mag zijn, heeft besloten dat zo’n uniek wetenschappelijk jaar voor het medezeggenschapsrecht niet ongemerkt voorbij mocht gaan. Daarom is een bijeenkomst georganiseerd in Rotterdam waarbij onder grote belangstelling voor een dergelijk toch specifiek en pittig onderwerp, vol vuur is gedebatteerd. De opzet van de middag zorgde er al voor dat veel meningen de revue zouden gaan passeren. Aan de hand van ieder proefschrift was een deelthema geselecteerd waarop een van de promovendi kernachtig zijn punt Icon maken. Een andere promovendus trad daarbij als referent op, per onderwerp en onder leiding van verschillende moderatoren, te weten Damien Berkhout, Paul Witteveen, Josee Lamers en ikzelf. Verder waren in de zaal nog drie van de vier promotoren aanwezig, te weten prof. mr. L.G. Verburg, prof. mr. J.H.M. Willems en dr. R.H. van het Kaar. Zij mengden zich gevraagd en ongevraagd actief in ‘de discussie’. In het februarinummer van ArbeidsRecht zijn de inleidingen van de promovendi reeds gepubliceerd. Ik zal daarom hier per onderwerp slechts kort weergeven wat er naar voren is gebracht en vervolgens ingaan op de onderwerpen die mij het meest tot nadenken hebben aangezet.

2.         De economische werkelijkheid bij strategiebepaling door Marnix Holtzer[4]

In zijn proefschrift gaat Holtzer op zoek naar de invloed van werknemers op de strategie van de vennootschap. Hij gaat na welke invloed werknemers kunnen uitoefenen op het strategisch beleid van de Nederlandse vennootschap, het Nederlands internationale concern en het buitenlands internationale concern en hoe dit verbeterd zou kunnen worden. Holtzer constateert dat een verschil tussen Nederlandse en buitenlandse internationale concerns is dat bij de Nederlands internationale concerns soms een geringere mate van afstand bestaat tussen de holding en de Nederlandse werknemers. Maar ook dat is niet altijd het geval, omdat veel Nederlandse internationale concerns werken met een zogenoemde Nederland-constructie, waarin de Nederland-se activiteiten in aparte subholdings zijn ondergebracht en daarmee een gelijk gewicht krijgen als de buitenlandse activiteiten van het concern. Ook wijst hij op het informele circuit binnen een hoofkantoor, dat maakt dat er een grotere mate van invloed en contact is tussen concernleiding en ondernemingsraad. Het stakeholdersmodel is in Nederlandse internationale concerns vaker dieper ingevoerd. Bij buitenlandse internationale concerns is die afstand veel groter en dat blijkt ook uit de jurisprudentie van de Ondernemingskamer, aldus Holtzer. Hij stelt dat de internationale concernstrategie bij de weging daar veel gewicht in de schaal legt, zelfs wanneer kritiek loan worden uitgeoefend op de medezeggenschapsstructuur of wanneer het gaat om sluiting van op zichzelf rendabele ondernemingen. In de tweede plaats kunnen internationale besluiten worden genomen die direct inwerken op de Nederlandse onderneming, maar niet kunnen worden gezien als besluiten die deze rechtstreeks raken. Tot slot constateert Holtzer een terughoudendheid van de rechter bij de toetsing van individuele besluiten met een internationaal karakter die niet onmiddellijk passen in een vooraf omschreven strategisch beleid. Als recent voorbeeld van deze terughoudendheid verwijst Holtzer naar de zaak Sappi[5] waarin de sluiting van een vestiging gegeven de internationale strategie ongemoeid blijft, maar het wel van belang wordt gevonden dat goede sociale voorzieningen worden getroffen. Het debat op 27 november 2014 spitste zich met name toe op de stelling van Holtzer dat de Nederlandse rechter, met name de Ondernemingskamer, anders en terughoudender toetst wanneer het besluit wordt genomen door een ondernemer die onderdeel is van een internationaal concern dan wanneer deze onderdeel is van een Nederlands concern. Met verwijzing naar voorbeelden die betrekking hebben op de verplichting van de Nederlandse ondernemer om toch zijn eigen belangenafweging inzichtelijk te maken, afgewogen tegen het concernbelang, zoals recent in de zaak Watts,’[6] waarin werd gesteld dat de vestigingsplaats van de moeder geen rol speelt bij de toetsing van de Ondernemingskamer.

Zou de Rotterdamse hoogleraar Duk in de zaal aanwezig zijn geweest, dan had hij in lijn met zijn recente publicatie Holtzer van de andere flank bestookt, en gesteld dat hij te veel waarde toekent aan de invloed die werknemers kunnen hebben met inachtneming van de bedoeling van de wetgever en de rechtspraak van de Hoge Raad en de Ondernemingskamer op het internationaal concernbeleid[7] Hij spreekt er in dat verband over dat hypocrisie bij de motivering van het (voorgenomen) besluit helpt. Duk illustreert zijn betoog met het voorbeeld dat wanneer er gekozen moet worden tussen vijf Europese vestigingen waarvan er een moet sluiten, voor de Nederlandse ondernemer die geacht wordt het concernbelang tegen het ondernemingsbelang of te wegen, het eigenlijk steeds logisch is dat de eigen vestiging open blijft. Maar dit is een betwistbaar perspectief, aldus Duk.

Stel daar echter tegenover het voorbeeld dat een Nederlandse ondernemer vijf vestigingen in Nederland heeft en hij een vestiging wil sluiten, is het perspectief dan even betwistbaar? En is ook dan iedere motivering aan hypocrisie onderhevig? Ik denk het niet. In beide gevallen zal het gaan om de onderbouwing die daaraan ten grondslag ligt en de mate waarin de aangevoerde beweegredenen het besluit kunnen dragen. Indien er sprake is van een consistente onderbouwing en zorgvuldige afweging dan zal dat in het kader van de belangenafweging bij de Ondernemingskamer standhouden. Indien de belangenafweging echter niet consistent is dan kunnen zich problemen voordoen, los van de vraag of dit binnen een Nederlands of een grensoverschrijdende setting plaatsvindt. Bijvoorbeeld wanneer bij een (recente) reorganisatie binnen een Nederlandse onderneming een toezegging door de moeder is gedaan dat er daarna perspectief voor de toekomst is, dan maakt dat de keuze tussen de vijf vestigingen geen arbitraire meer, maar zal dit specifieke belang gewogen moeten worden. Hetzelfde geldt indien de beweegreden die aan het besluit ten grondslag ligt willekeurig en ongelijk zou worden toegepast bij de te ma-ken afweging tussen de vijf vestigingen. Indien dat vanwege de internationale setting niet relevant zou zijn, dan zou dat niet alleen aanleiding kunnen zijn tot hypocrisie, maar ook cynisme voeden.

Holtzer heeft dan ook terecht in zijn proefschrift een Tans gebroken voor het handhaven en koesteren van het eigene van de Nederlandse medezeggenschapswetgeving en -rechtspraak.

3.         De rol van de OR ten aanzien van aandeelhoudersbesluiten door Ilse Zaal[8]

In haar proefschrift heeft Zaal onderzocht in welke situaties het aan de WOR ten grondslag liggende beginsel dat medezeggenschap zeggenschap volgt, onder druk komt te staan. Zij kwam tot de conclusie dat daar sprake van is indien de ondernemer onderdeel is van een (internationaal) concern, wanneer de ondernemer in staat van faillissement verkeert en wanneer de ondernemer de rechtsvorm van een kapitaalvennootschap heeft. Op dit laatste element ging haar bijdrage voor de VvA in. De WOR is een rechtsvorm onafhankelijke medezeggenschapsregeling. Zaal constateert een botsing met name bij het adviesrecht t.a.v. besluiten van de aandeelhoudersvergadering. Bij kapitaalvennootschappen worden belangrijke besluiten door de AVA genomen, die be-trekking hebben op de vennootschap, de rechtspersoon, en niet op de onderneming. Dergelijke besluiten kunnen echter wel gevolgen hebben voor de onderneming, de arbeidsorganisatie en de daarin werkzame personen. Onder verwijzing naar rechtspraak van de Ondernemingskamer stelt ze dat besluiten die de vennootschap betreffen en die doorwerken in de onderneming leiden tot een adviesrecht voor de ondernemingsraad. Zaals belangrijkste stelling is dat het niet mogelijk is dat op grond van art. 26 lid 5 WOR een voorziening wordt opgelegd aan de ondernemer om een besluit in te trekken bij een aandeelhoudersvergadering die uit verschillende individuele beleggers bestaat. Dit verhoudt zich niet goed met het uitgangspunt dat aandeelhouders naar eigen inzicht mogen stemmen. Zij maakt dit duidelijk aan de hand van het voorbeeld van de overdracht van zeggenschap, hetgeen niet te beschouwen is als een beslissing van de ondernemer, tenzij het gaat om een aandeelhouder die als medeondernemer is aan te merken. De constructie waarbij het adviesrecht van de ondernemingsraad gekoppeld wordt aan de medewerking van het bestuur van de vennootschap aan een overdracht van aandelen beschouwt zij als een kunstgreep. Zaal zoekt de oplossing in het uitbreiden van de vennootschapsrechtelijke medezeggenschapsrechten door on-der meer het spreekrecht uit te breiden qua bereik, ook tot B.V.’s, ten aanzien van het aantal besluiten, zoals statutenwijziging en winstbestemming en het versterken van deze rechten met sancties. Op die manier zijn kunstgrepen niet meer nodig.

Ik vind het betoog van Zaal het mooiste voorbeeld waarin de spanning tussen het vennootschaps- en medezeggenschapsrecht tot uiting komt in dogmatische zin. De in de rechtspraak aangebrachte bruggen tussen het medezeggenschapsrecht en het vennootschapsrecht beschouwt Zaal als kunstgrepen, onder meer gebaseerd op het feit dat aan het vennootschapsrecht ten grondslag ligt dat aandeelhouders naar eigen inzicht mogen stemmen. Zaal trekt dit beginsel echter te ver door, door daaraan de conclusie te verbinden dat het daarom voor de Ondernemingskamer onmogelijk is om voorzieningen uit te spreken tegen individuele beleggers. Allereerst wordt daarmee miskend dat het uitgangspunt dat aandeelhouders naar eigen inzicht mogen stemmen niet met zich mee kan brengen dat wanneer het gebruikmaken van deze bevoegdheid ertoe leidt dat besluiten worden genomen die strijdig zijn met andere wettelijke voorschriften, dit kan leiden tot inperking van deze vrijheid om te stemmen naar eigen goeddunken. Daarmee gaat de rechter niet beslissen wat de aandeelhouders dan wel moeten stemmen, maar wel kan de rechter de gezamenlijkheid van aandeelhouders opdragen opnieuw te besluiten, waarbij dan de inhoud en strekking van. het rechterlijk oordeel bij gebruikmaking van het stemrecht in acht genomen zal moeten worden. Het verabsoluteren van de vrijheid van aandeelhouders om hun stem te bepalen, sluit ook niet aan bij de aan het stakeholdersmodel, dat de Nederlandse verhoudingen kenmerkt, ten grondslag liggende uitgangspunt, dat betrokkenen bij de onderneming met gerechtvaardigde belangen van andere stakeholders rekening dienen te houden. Ten tweede is het los van de dogmatiek de vraag of een beslissing van de Ondernemingskamer dat een besluit van de (mede)ondernemer ongedaan moet worden gemaakt bijvoorbeeld tot overdracht van de zeggenschap van de ondernemer niet juist een hele goede brugfunctie vervult om de effectiviteit van de nakoming van de medezeggenschapsrechten te waarborgen, ook binnen de vennootschapsrechtelijke verhoudingen. Het bestuur zal in eerste instantie zorgdragen voor de formulering van het besluit dat door de AVA genomen moet worden, zoals het bestuur ook de mogelijkheid heeft om niet mee te werken aan de overdracht van aandelen, indien dit strijdig is met een rechterlijke uitspraak.

De oplossing die Zaal aandraagt te komen tot een versterking van het spreekrecht wordt ingegeven door dogmatische zuiverheid en niet door effectiviteit. Het binnen de kaders van de WOR ontwikkelde sanctiesysteem op basis van art. 26 WOR heeft zich tot op heden bewezen. Het feit dat het in deze vooral om een dogmatische discussie gaat, toont aan dat in de praktijk de oordelen van de Ondernemingskamer nageleefd worden. Uit eigen waarneming weet ik dat de preventieve werking daarvan ook groot kan zijn, bijvoorbeeld in situaties waarbij een ondernemingsraad een minderheidsaandeelhouder aanspreekt om hem te verbieden over te gaan tot overdracht van zijn aandelenpakket waardoor de zeggenschapsverhouding verandert. Dat neemt niet weg dat er problemen aan de orde zijn, maar de oplossingen zoeken in het versterken van spreekrechten is mijns inziens het kind met het badwater weggooien. Enerzijds omdat ik niet inzie waarom de Ondernemingskamer de bevoegdheid zou ontberen om uitspraken te doen waar ook aandeelhouders zich aan hebben te houden en anderzijds omdat daarmee het nalevingskader van de WOR doorbroken zou kunnen worden en risico’s voor (nieuwe) samenloopproblemen kunnen gaan ontstaan.

4.         Vennootschappelijke medezeggenschap bij grensoverschrijdende herstructureringen door Femke Laagland[9]

Laagland is in haar proefschrift ingegaan op de rol van de Nederlandse werknemers (vertegenwoordigers) bij grensoverschrijdende fusie. Zij slaagt er zowel in geschrift als in haar presentaties in om een rechtsgebied dat voor eenieder die zich erin verdiept terstond de vraag oproept: ‘Wie heeft dit zo kunnen bedenken?’, uit te leggen op een wijze alsof het weinig moeite kost dit alles te doorgronden. In haar bijdrage is zij ingegaan op het spanningsveld tussen de vestigingsvrijheid en de vennootschappelijke medezeggenschap. Problemen doen zich voor op het moment dat vennootschappen gebruikmaken van hun primaire vestigingsrecht ex art. 49 VWEU. Het gaat daarbij niet om het uitoefenen van een activiteit dan wel het oprichten van een dochtervennootschap in het buitenland (het secundaire vestigingsrecht), maar om een verplaatsing van de primaire zetel van de vennootschap naar het buitenland. Dit heeft tot gevolg dat de vennootschap onderworpen raakt aan een buitenlands vennootschapsrecht. Op dit vlak is er een verschil met de medezeggenschap geregeld in de WOR die aanknoopt bij de onderneming en niet bij de vennootschap. Verplaatsing van de primaire zetel naar het buitenland kan gerealiseerd worden door een grensoverschrijdende juridische fusie. In het kader van de SE is op Europees niveau na jaren onderhandelen een oplossing gevonden voor de vraag hoe om te gaan met de vennootschappelijke medezeggenschapsrechten bij grensoverschrijdende fusies. Gelijk als in de regeling met betrekking tot de Europese ondernemingsraden moet het bestuur met een bijzondere onderhandelingsgroep onderhandelen over het medezeggenschapssysteem dat na de herstructurering gaat gelden. Als partijen ‘er niet uitkomen in de onderhandelingen, of, na de aanpassing van de 10e richtlijn, indien er geen onderhandelingen hebben plaatsgevonden, moeten de referentievoorschriften gevolgd worden. Daarin is een systematiek vastgelegd die afwijkende nationale medezeggenschapsregels coOrdineert. Het idee is dat het hoogste aantal medezeggenschapsrechten zoals dat voorafgaand aan de grensoverschrijdende herstructurering bestond behouden blijft (de hoogste aantal doctrine). Een criterium dat tot vragen kan leiden en tot de weging van verschillende medezeggenschapsrechten noopt, zoals het aanbevelingsrecht van een ondernemingsraad in Nederland ten aanzien van iedere zetel in de RvC of het spreekrecht bij benoemingsrechten.

Laagland pleit ervoor om bij toekomstige aanpassingen aansluiting te zoeken bij de referentievoorschriften waarbij het haar voorkeur heeft deze vorm te geven conform de structuur van de EOR-richtlijn: een materieel minimumniveau van vennootschappelijke medezeggenschap (eventueel een aantal modellen waaruit kan worden gekozen) dat in werking treedt als de vestigingsvrijheid de bestaande vennootschappelijke medezeggenschap bedreigt. Deze benadering heeft als voordeel dat, indien de onderhandelingen niet tot overeenstemming. leiden, het medezeggenschapssysteem in werking treedt dat reeds een plek heeft verworven in het vennootschapsrecht van het vestigingsland, dat komt de uitoefening van een vennootschappelijke medezeggenschap ten goede. Ik onderschrijf haar voorkeur. Het aansluiten bij de systematiek van de EOR-richtlijn leidt ook tot (iets meer) uniformiteit in de Europese regelgeving met betrekking tot de medezeggenschap. Hier lijkt een mooie uitdaging voor de Nederlandse Eurocommissaris Timmermans te liggen om op dit terrein de regeldrukte aan te pakken en een gewenste vereenvoudiging te realiseren.

5.         Vennootschappelijke kaders versus WOR-kaders door Joost van Mierlo[10]

Van Mierlo heeft zich in zijn proefschrift gebogen over de spanning die er is tussen de vennootschappelijke kaders en hetgeen in de WOR is geregeld. Zijn bijdrage spitste zich ten eerste toe op de in de rechtspraak ontwikkelde begrippen toerekening en medeondernemerschap. Medezeggenschapsrechtelijk gaat het mis als een zelfstandige afweging van belangen door de ondernemer ontbreekt of als de omvang van die afweging maar beperkt is. Dan is de aanname die aan de WOR ten grondslag ligt – dat de ondernemer altijd degene is die de besluiten neemt en dat het bestuur daarbij autonoom de belangen van alle betrokkenen afweegt – niet meer volledig aanwezig. Om te voorzien in de medezeggenschapsrechtelijke lacune die dreigt te ontstaan, moet het besluit van de moeder voor de toepassing van art. 25 WOR worden toegerekend aan de dochter. In het licht van de voorzieningen die de Ondernemingskamer kan treffen, zal de ondernemingsraad er veel aan gelegen zijn ook de derde die het besluit heeft genomen in de procedure te betrekken. De techniek die daarvoor in aanmerking komt is medeondernemerschap. Van Mierlo geeft aan dat hij medeondernemerschap als een gekwalificeerde vorm van toerekening beschouwt, namelijk van toerekening van een besluit van een derde die stelselmatig invloed uitoefent op de besluitvorming in de onderneming. Met name deze stelling leidde bij de bijeenkomst van de VvA tot veel discussie, die nog een vervolg kreeg in ArbeidsRecht waar Willems uiteenzette waarom hij het daar niet mee eens is.[11] Willems geeft aan dat toerekening moet worden gereserveerd voor de feitelijke handelingen van een derde die hebben te gelden als de rechtshandelingen van een ander, die feitelijk nu juist niet handelt. Het belang van het toepassen van toerekening is dan ook gelegen in het voorkomen van het onthouden van het adviesrecht van de ondernemingsraad in het geval dat de ondernemer geen besluit neemt, maar feitelijke handelingen van de derde wel gevolgen hebben voor de onderneming van de ondernemer, die ook zouden intreden als de ondernemer een besluit zou hebben genomen. De zin van het aanwijzen van een derde als medeondernemer is dat die derde wat zijn eigen besluit betreft gedwongen wordt hiervoor de ondernemingsraad van de andere ondernemer advies te vragen en dat die derde door de rechter gemaand kan worden zijn eigen besluit in te trekken. Willems geeft daarbij als voorbeeld de Heuga-zaak waarbij het overbodig was dat de ondernemingsraad in rechte ook de ondernemer had betrokken. Volstaan had kunnen worden met een procedure tegen de medeondernemer. Eenzelfde oordeel is ook al eens geveld door de Kantonrechter Utrecht in een van de Novio-zaken.[12]

Wat ‘de discussie’ op dit punt duidelijk maakt, is dat deelnemers aan ‘het debat’ niet wezenlijk verschillen over de gewenste einduitkomst, namelijk dat geborgd moet worden dat de invloed die de WOR aan ondernemingsraden toekent bij besluiten die binnen het bereik van het adviesrecht vallen, ook daadwerkelijk gerealiseerd moet kunnen worden. Van Mierlo poogt het juridisch strijdveld overzichtelijk te maken door het begrip toerekening daarin centraal te stellen en medeondernemerschap daaraan ondergeschikt te maken. Medeondernemerschap kan echter op twee manieren van belang zijn, enerzijds omdat de ondernemingsraad de behoefte heeft om ook de partij die bij het betrokken besluit daadwerkelijk aan het touwtje trekt in rechte te betrekken. Daarmee kan voorkomen worden dat afwachten -nog niet besluiten door de ondernemer – ertoe zou leiden dat de ondernemingsraad pas te laat in actie kan komen. Anderzijds is medeondernemerschap van betekenis in die situatie waar het gaat om eigen besluiten van de medeondernemer, zoals in de Heuga-zaak of de Novio-zaak. Dit gaat niet om gekwalificeerde vormen van toerekening omdat toerekening naar zijn aard poogt het besluit toe te halen naar het niveau waar de ondernemingsraad is ingesteld, maar waar niet in alle gevallen het besluit wordt genomen of zou kunnen worden genomen.

Ten tweede ging Van Mierlo in op het instructierecht van art. 2:239 lid 4 BW. De statuten van de besloten vennootschap kunnen bepalen dat het bestuur zich dient te gedragen naar aanwijzingen van een ander orgaan van de vennootschap. Waar het vennootschappelijk belang normaal maatgevend is voor het handelen van het bestuur van de vennootschap, beschouwt Van Mierlo dat belang, indien de algemene vergadering gebruik heeft gemaakt van haar statutaire instructierecht, als een correctiefactor op het concernbelang. Dit dient gevolgen te hebben voor de toepassing van art. 25 WOR. Het adviesrecht van de ondernemingsraad zou namelijk niet ten voile tot zijn recht komen, indien het advies beperkt zou moeten blijven tot die beperkte afweging of het belang van de vennootschap en de onderneming zich verzet tegen de uitvoering van de instructie. In 2014 heeft de Hoge Raad zich voor het eerst uitgelaten over de betekenis van het instructierecht[13] Van Mierlo hecht nog niet te veel betekenis aan deze uitspraak, omdat het een situatie betrof waarbij het bestuur van de (joint venture) vennootschap het belang van deze vennootschap had geschonden door gevolg te geven aan een AVA-besluit dat de continuïteit van de vennootschap in gevaar bracht. Van Mierlo geeft aan dat het om een situatie ging waarbij strijdigheid met het vennootschappelijk belang zo evident is, maar dat de vraag interessanter is om te bekijken wat het geval is wanneer het opvolgen van de instructie niet in strijd is met het belang van de vennootschap. In dergelijke gevallen moet de ondernemingsraad op een eerder moment in de gelegenheid gesteld worden om advies uit te brengen, namelijk voordat de AVA een besluit neemt. Daarmee vindt immers de volwaardige en eigenstandige afweging van belangen plaats die de ondernemingsraad op grond van art. 25 WOR en art. 26 WOR van de ondernemer mag verwachten. Tijdens ‘het debat’ over deze uitspraak werd duidelijk dat hierover de meningeti verdeeld zijn: anderen zien in de Cancun-uitspraak juist de bevestiging dat er weinig nieuws onder de zon is, namelijk dat de Hoge Raad de verplichting van het bestuur van de vennootschap om ook na invoering van het versterkte instructierecht te blijven toetsen aan het belang van de vennootschap heeft bevestigd.

Deze discussie laat zich scharen onder de categorie: ‘is het pak half vol of half leeg?’. De eerste uitspraak van de Hoge Raad na invoering van de wijziging van het instructierecht in 2012 geeft in ieder geval aan dat de Hoge Raad een zwaar gewicht blijft hechten aan de taak van het bestuur van de vennootschap om een eigen afweging te maken aan het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming. Anderzijds is daarmee nog niet de vraag beantwoord die Van Mierlo opwerpt te weten of wanneer instructierecht niet in strijd is met vennootschappelijk belang, en er bijvoorbeeld ook andere alternatieven mogelijk zouden zijn die door de ondernemingsraad naar voren worden gebracht, er als gevolg van een statutair verankerd instructierecht niet alle reden is om de ondernemingsraad eerder en een zwaardere positie toe te kennen jegens degene die met het instructierecht in ieder geval materieel de zeggenschap uitoefent. Deze discussie zal zeker nog vervolgd worden.

6.         Slot

Wordt de positie van de ondernemingsraad in het recht verscheurd tussen twee geliefden? Enerzijds de WOR die gekoesterd wordt door de Minister van SZW en anderzijds het vennootschapsrecht, dat gekoesterd wordt door de Minister van Veiligheid en Justitie? Zijn het twee gescheiden werelden die los van elkaar met eigen bevoegdheden en eigen nalevingsmechanismen opereren of zouden moeten opereren? Wat mij betreft niet. De bruggen die in de WOR-rechtspraak tussen beide rechtsgebieden worden geslagen, maken duidelijk dat een geïntegreerde benadering de voorkeur geniet. Er is niet zo zeer sprake is van twee geliefden: het gaat immers om een en dezelfde wetgever (die echter onmiskenbaar wel schizofrene trekjes heeft). De vier proefschriften hebben dit haarfijn duidelijk gemaakt. `De discussie’ in Rotterdam ging met name over die aspecten waar de problemen het meest evident zijn. Een ‘mer a boire’ voor de beoefenaren van het medezeggenschapsrecht alsook de wetgever.

 


[1] Mr. L.C.J. Sprengers (m) is advocaat te Utrecht en als vaste medewerker verbonden aan dit tijdschrift.

[2] JJ.M. van Mierlo, Medezeggenschap en de spanning tussen WOR en ondernemingsrecht, Radboud Universiteit Nijmegen 2013; F. Laagland, De rol van Nederlandse werknemers(vertegenwoordigers) bij een grensoverschrijdende fusie, Radboud Universiteit Nijmegen 2013; I. Zaal, De reikwijdte van medezeggenschap, Universiteit van Amsterdam 2014; M. Holtzer, De invloed van werknemers op de strategie van de vennootschap, Universiteit Groningen 2014.

[3] De weerslag van discussies binnen verschillende werkgroepen is terug te vinden in: L.C.J. Sprengers & G.W. van der Voet, Arbeidsrechtelijke reflecties 2014, bijdragen vanuit verschillende werkgroepen van de VvA, Deventer 2014, VvA-reeks nr. 42. In 2014 is ook het commentaar van de werkgroep ontslagrecht van de VvA verschenen over de WWZ, VvA-reeks nr. 41.

[4] Zie voor een weergave van zijn inleiding: ArbeidsRecht 2015/9.

[5] Hof        Amsterdam             (Ondernemingskamer)           15            mei          2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:1979, JAR 2014/159; TRA 2014/68.

[6] Hof        Amsterdam             (Ondernemingskamer)           9              juli            2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:2336, JAR. 2013/223; TM 2013/95.

[7] R.A.A. Duk, ‘Medezeggenschap en multinationals: hypocrisie helpt’, Tijdschrift voor arbeid en onderneming, 2014/4, p. 138-142.

[8] Zie voor een weergave van haar inleiding: ArbeidsRecht 2015/10.

[9] Zie voor een weergave van haar inleiding Arbeidsrechr 2015/11.

[10] Zie voor een weergave van zijn inleiding ArbeidsRecht 2015/12.

[11] J.H.M. Willems, ‘Toerekening, medeondernemerschap en vereenzelviging: een enkele kanttekening’, ArbeidsRecht 2015/13. Uit deze bijdrage blijkt de tijd waarin het is geschreven goed. Willems heeft het herhaaldelijk over ‘ ‘FNV Ledenraad’ waar ‘FNV Ledenservice’ wordt bedoeld. Op het moment van schrijven van zijn bijdrage speelde de besluitvorming binnen FNV Bondgenoten over de fusie, waar de Ledenraad een belangrijke rol in speelde.

[12] Ktr. Utrecht 29 augustus 2012, ECLI:NL:RBUTR:2012:BX6091, JAR 2012/267 (OR Novio/Connexxion Holding NV). Zie daarover R. van het Kaar, Dossier Novio: het juridische verhaal, p. 55-58, opgenomen in het e-Book Dossier Novio, te downloaden op de website van Sprengers Advocaten: sprengersadvocaten.nl/n1/publicaties/marian-van-leeuwen-s-e-book-dossier-novio.

[13] HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:804, JOR 2014/290, NJ 2014/286 (Cancun).

Datum
12 juni 2015

Rechtsgebied
Medezeggenschapsrecht Ondernemingsrecht

Geplaatst in
TRA, Afl. 5 – mei 2015. Beschouwing, pag 23-27

Nieuwsbrief

Meer informatie