| samen sterk in arbeidsrecht

© 2018 Sprengers Advocaten
Maatwerk software door Way2Web

Ontbinding arbeidsovereenkomst OR-lid

In juli 2014 heeft een elektrotechnische industriële onderneming een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst ingediend voor een van de werkvoorbereiders. Deze werknemer is lid van een vaste commissie van de ondernemingsraad, waarmee hij de status van lid van de ondernemingsraad heeft. Als reden voor de beëindiging geeft de onderneming op dat er sprake is van een verliessituatie, ten gevolge waarvan, na het doorlopen van een adviestraject met de ondernemingsraad, gereorganiseerd dient te worden. De kantonrechter heeft dit verzoek tot ontbinding afgewezen. Het verzoek werd onvoldoende gemotiveerd geacht en daarbij is niet komen vast te staan dat het verzoek geen verband houdt met het lidmaatschap van de werknemer van de ondernemingsraad. In januari 2015 probeert de onderneming het nog eens. Ditmaal wordt het verzoek beter gemotiveerd en oordeelt de kantonrechter dat de grond voor ontbinding geen verband houdt met het lidmaatschap van de ondernemingsraad. De kantonrechter ontbindt de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 mei 2015 en kent aan de werknemer de vergoeding toe die voortvloeit uit het sociaal plan dat met de vakbonden overeengekomen is.

Feiten

De werknemer waar het om gaat is 55 jaar en 23 jaar in dienst van de onderneming. Hij is werkzaam in de functie van werkvoorbereider. Op de arbeidsovereenkomst is de cao metaal en techniek van toepassing. De werknemer die lid is van een vaste commissie van de ondernemingsraad, heeft daarmee de status van lid van de ondernemingsraad als bedoeld in artikel 7:670 lid 4 Burgerlijk Wetboek (BW). Uit de jaarstukken blijkt dat het verlies van de onderneming in 2010 ruim 11 miljoen, in 2011 4,6 miljoen en in 2012 8,9 miljoen euro bedroeg. Uit een officieel schrijven van de accountant blijkt dat de verwachting is dat het verlies over 2013 bijna 14 miljoen euro zal bedragen. Gelet op deze financiële cijfers en het aanhouden van de crisis heeft de onderneming besloten tot een reorganisatie over te gaan.

In december 2013 is daarover een adviesaanvraag ingediend bij de ondernemingsraad. Deze adviesaanvraag zag onder meer op de verhuizing van de assemblage van een systeem naar de plaats Arad in Roemenië. Dit zou leiden tot een verbetering van de marge. In januari 2014 is een tweede, aanvullende adviesaanvraag ingediend bij de ondernemingsraad.

Deze adviesaanvraag had betrekking op voorgenomen besluiten in verband met nieuwe organisatiestructuren. De OR heeft in april (2014) advies uitgebracht. Dit advies was negatief. De OR wenste niet akkoord te gaan met en zag ook de noodzaak niet tot het verplaatsen van het bewuste systeem naar Arad in Roemenië. Het systeem is voornamelijk bestemd voor de Nederlandse markt, maakt een gezonde winst en derhalve zou behoud van het systeem op de vestiging in Hengelo bijdragen aan het financieel gezond maken van de locatie Hengelo.

De onderneming heeft de reorganisatie ondanks het negatieve advies doorgezet. De OR heeft zich niet tot de Ondernemingskamer gewend. Met de vakbonden is een sociaal plan afgesloten om de gevolgen van de reorganisatie op te vangen. In juli 2014 heeft de onderneming zich voor de eerste leer met het verzoek de arbeidsovereenkomst van het bewuste OR lid te ontbinden gewend tot de kantonrechter.

Oordeel kantonrechter (03-11-2014)

De kantonrechter stelt in de eerste zaak voorop dat de werknemer lid is van (de vaste commissie van) de ondernemingsraad en dat dus voor hem een ontslagverbod geldt. Dat betekent dat alleen tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst kan worden overgegaan als voldoende aannemelijk wordt dat van enig verband tussen het lidmaatschap van de OR en het verzoek geen sprake is. Daarnaast moet het verzoek, dat is gebaseerd op bedrijfseconomische omstandigheden, op de gebruikelijke wijze beoordeeld worden. De kantonrechter vindt dat gelet op de meerjarige verliezen, in redelijkheid tot het doorvoeren van een reorganisatie besloten is. Dat de onderneming onderdeel uitmaakt van een wereldwijd concern dat financieel gezien als geheel goed draait, doet daaraan niet af. De beoordeling moet per vennootschap of per bedrijfsonderdeel plaatsvinden.

Vervolgens moet de vraag beantwoord worden of op juiste gronden is besloten functies in de functiecategorie van deze werknemer te laten vervallen, waarna, als dat het geval is, onderzocht moet worden of het afspiegelingsbeginsel correct is toegepast.

In het verzoekschrift is gesteld dat geen arbeidsplaats binnen de categorie werkvoorbereider komt te vervallen. Blijkens een overzicht van de personele gevolgen van de reorganisatie in Nederland, onderdeel uitmakend van de adviesaanvraag aan de ondernemingsraad, komt er echter geen arbeidsplaats te vervallen in de functiecategorie werkvoorbereider. Zodoende oordeelde kantonrechter dat uit de stukken niet blijkt dat de reorganisatie met betrekking tot de systemen in Hengelo tot gevolg heeft dat een arbeidsplaats binnen de functie categorie werkvoorbereider komt te vervallen. Weliswaar heeft de ondernemer een grote mate van vrijheid bij de inrichting van zijn bedrijf, maar waar hij in het kader van een reorganisatie stelt dat binnen een functiecategorie een of meerdere arbeidsplaatsen komt te vervallen, dient dat wel inzichtelijk gemaakt te worden en te blijken uit organogrammen voorzien van functiecategorieën, alsmede uit een bijbehorend reorganisatiebesluit. Daarvan is in dit geval geen sprake oordeelt de kantonrechter.

Dat de onderneming zowel in het verzoekschrift als in de toelichting op de zitting heeft aangegeven dat slechts een arbeidsplaats binnen de functie categorie de werkvoorbereider zou komen te vervallen, terwijl uit een later in het geding gebracht stuk blijkt dat het zou gaan om twee arbeidsplaatsen, valt volgens de kantonrechter al helemaal niet te begrijpen. De kantonrechter oordeelt dan ook dat de aangevoerde gronden de verzochte ontbinding niet kunnen dragen. Ten overvloede overweegt de kantonrechter dat ook niet is komen vast te staan dat het verzoek geen verband houdt met het lidmaatschap van (de vaste commissie van) de ondernemingsraad, zodat vooralsnog van de reflexwerking van opzegverbod moet worden uitgegaan.

Oordeel kantonrechter (19-03-2015)

Een aantal maanden later dient de werkgever opnieuw een verzoek tot ontbinding in voor deze werknemer. Dat is mogelijk, want de wet zegt dat “te allen tijde” een verzoekschrift tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst kan worden ingediend. Nu oordeelt de kantonrechter echter anders. De onderneming heeft het verval van de functie nu kennelijk wel voldoende aangetoond. Een verweer dat de bewuste werknemer bij afspiegeling niet als eerste in aanmerking zou komen voor ontslag, wordt afgewezen. Zelfs als men de verschillende functies werkvoorbereider (werkvoorbereider MTS/ATO respectievelijk werkvoorbereider ETO) op hetzelfde niveau plaatst, dan nog is de bewuste werknemer bij afspiegeling degene die het eerst in aanmerking komt voor ontslag, zo overweegt de kantonrechter.

De kantonrechter acht nu ook gebleken dat het verzoek geen verband houdt met het lidmaatschap van een onderdeel van de ondernemingsraad, nu de grond voor de ontbinding geen verband houdt met dat lidmaatschap. Onder toepassing van het met vier representatieve vakorganisaties overeengekomen sociaal plan, ontbindt de kantonrechter de arbeidsovereenkomst daarom nu wel en wel met ingang van 1 mei 2015 onder toekenning van de voorzieningen zoals vermeld in het sociaal plan.

Aantekening

Het artikel inzake ontbinding van de arbeidsovereenkomst stelt voorop dat een dergelijk verzoek “te allen tijde” bij de kantonrechter kan worden ingediend. Dit betekent derhalve ook dat na een afwijzing van het verzoek, het nog eens geprobeerd kan worden. Zodoende kreeg de onderneming alsnog de gelegenheid het verzoek beter te motiveren en (daarmee) aannemelijk te maken dat er geen verband bestond met het OR-lidmaatschap van de werknemer.


Let op

Per 1 juli 2015 treedt de Wet Werk en Zekerheid (WWZ) in werking. Deze wet bevat belangrijke wijzigingen voor het ontslagrecht, zowel in procedurele zin als in materiele zin.

 

Datum
3 juni 2015

Rechtsgebied
Arbeidsrecht Medezeggenschapsrecht

Artikelen 7:685 en 7:760 lid 4 Burgerlijk Wetboek
Rechtbank Overijssel, kantonrechter, 3 november 2014, ECLI : NL:RBOVE: 2014: 6086
Rechtbank Overijssel, kantonrechter, 19 maart 2015, ECLI:NL:RBOVE:2015 :1412

Nieuwsbrief

Meer informatie