| samen sterk in arbeidsrecht

© 2018 Sprengers Advocaten
Maatwerk software door Way2Web

Tijdelijke or bij fusie

In het kader van een fusie wordt een tijdelijke fusie ingesteld. Een van de deelnemende or’s claimt voor een aantal zaken alsnog zijn adviesrecht.

De rijksoverheid heeft een traject gestart om te komen tot een archieforganisatie. De tien betrokken ministeries sluiten met hun or’s en de or van de Centrale Archief Selectiedienst (CAS) een overeenkomst over de vorming van een tijdelijke or. Deze is belast met toepassing van de WOR op de besluitvorming over de werkzaamheden, inrichting en vormgeving van de nieuwe archieforganisatie. De or CAS krijgt vervolgens een adviesaanvraag over een uitbreiding van het personeelsbestand. Hij meent dat zijn advies te laat wordt aangevraagd en dat over besluiten met betrekking tot de oprichting van de nieuwe archiefdienst ook advies moet worden gevraagd.

Ondernemingskamer
De Ondernemingskamer vindt het niet aannemelijk dat het besluit tot uitbreiding van het personeelsbestand al is genomen of dat het or-advies hierop niet van wezenlijke invloed kan zijn. Er zijn geen definitieve afspraken gemaakt. Over de overige besluiten heeft de Staat betoogd dat deze tot de competentie van de tor behoren. De OK onderschrijft dit betoog, want deze besluiten hebben alle betrekking op werkzaamheden, inrichting en vormgeving van de nieuwe archiefdienst. Het is te begrijpen dat de or zich ongelukkig voelt met het feit dat zijn bevoegdheden in zoverre zijn overgegaan naar de tor, waarin hij een minderheidspositie bekleedt, maar dit maakt het niet anders. De or heeft, na afweging van voors en tegens, gekozen voor deelname aan de tor met de daarbij behorende medezeggenschap over de nieuwe archiefdienst, maar ook voor het prijsgeven van eigen medezeggenschapsrechten. De OK constateert dat de or de overeenkomst niet heeft opgezegd.

Commentaar

Hoewel de wet er niets over regelt, komt het in de praktijk vaker voor dat bij de vorming van een nieuwe organisatie waarbij meerdere ondernemingen en dus ook or’s betrokken zijn, er een nieuw medezeggenschapsorgaan wordt ingesteld. Deze (tijdelijke) or oefent de medezeggenschapsrechten uit over de ‘nieuwbouw. De oude or’s blijven bestaan en oefenen de bevoegdheden uit over de lopende zaken binnen hun eigen onderneming. Vaak is het zo dat geen van de betrokken bestuurders zeggenschap heeft over de nieuwbouw; de bevoegdheid ligt op een niveau daarboven. Zo wordt ervoor gezorgd dat er een medezeggenschapsorgaan met bevoegdheden komt tegenover degene die de zeggenschap over het besluit uitoefent.
Probleem is dan wel dat de betrokken or’s een deel van hun bevoegdheden afstaan. Zij doen dit vrijwillig door een overeenkomst te sluiten. De OK geeft aan dat zo’n overeenkomst rechtsgeldig is, maar dat is niet zo vanzelfsprekend als het lijkt. De WOR is een minimumwet, wat in zou kunnen houden dat de or zijn bevoegdheden niet kan inleveren.
De OK geeft aan dat dit wel kan maar roept daarbij de vraag op wat het gevolg zal zijn als de or de overeenkomst opzegt. Gezien het minimumkarakter van de WOR moet ervan uitgegaan worden dat de bevoegdheden dan weer terugkomen bij de or. Het kan wel zijn dat in de overeenkomst beperkingen zijn gesteld aan de mogelijkheid om direct op te zeggen. Maar als de or de overeenkomst niet opzegt, kan hij zijn bevoegdheden niet terughalen.

Hof Amsterdam, 27 augustus 2010

Datum
1 april 2011

Rechtsgebied
Medezeggenschapsrecht

Actuele jurisprudentie in: OR Informatie april 2011, 4, p. 42-43

Nieuwsbrief

Meer informatie