| samen sterk in arbeidsrecht

© 2018 Sprengers Advocaten
Maatwerk software door Way2Web

Verbod op verhandeling landingsrechten

Twee luchtvaartmaatschappijen wordt door de ondernemingsraad (or) in een kort geding verboden over te gaan tot uitvoering van voorgenomen besluiten en in het bijzonder door landingsrechten te verhandelen en de vliegbasis Eindhoven te sluiten. Luchtvaartmaatschappij VLM Nederland wenst de vliegroute Eindhoven-London City stop te zetten, omdat deze verliesgevend is en daarmee tevens Eindhoven als basis voor de activiteiten van VLM wil opheffen. De or heeft hierop negatief geadviseerd en een procedure aangespannen bij de Ondernemingskamer. Het oordeel van de Ondernemingskamer van 21 december 2012 werd besproken in de vorige editie van dit blad. In deze verwante zaak vraagt de or in kort geding cm een verbod om tot uitvoering van de voorgenomen besluiten over te gaan en in concreto de landingsrechten te verhandelen en/of de vliegbasis Eindhoven te sluiten. Deze verbodsactie van de or werd aangespannen nog voordat het geschil in de hoofdzaak aan de Ondernemingskamer te Amsterdam word voorgelegd, omdat indien de landingsrechten verhandeld zouden worden dit zou leiden tot onomkeerbare gevolgen. De kantonrechter wijst de vordering van de or in kort geding toe. De rechter oordeelt dat de or ontvankelijk is, een spoedeisend belang heeft en dat de beide aangesproken partijen VLM Airlines NV en City jet LTD beschouwd moeten worden als mede-ondernemers ten opzichte van elkaar, althans dat dit niet uit te sluiten is. Inhoudelijk oordeelt de rechter dat aangezien bij verhandeling van de landingsrechten geen vluchten meer kunnen plaatsvinden vanuit Eindhoven, aannemelijk is dat dit tot gevolg heeft dat aan de werkzaamheden van VLM Airlines op de basis in Eindhoven in feite de grondslag komt te ontvallen en dat indien dit zou gebeuren, een procedure bij de Ondernemingskamer in feite zinloos zou worden, waarmee tekort zal worden gedaan aan de medezeggenschapsrechten van de or. Dat maakt dat de rechter een verbod uitspreekt om tot uitvoering over te gaan voor de duur van in leder geval één maand.

Wet op de Ondernemingsraden Sector kanton, rechtbank Rotterdam, 13 januari 2013, UN BY8909

Feiten

Deze spoedprocedure hangt samen met de in de vorige editie van dit blad besproken uitspraak van de Ondernemingskamer van 21 december 2012 in de bodemprocedure. City Jet LTD, VLM Airlines NV en VLM Nederland BV behoren tot de City Jet Group en daarmee tevens tot Air France-KLM. In oktober heeft VLM Nederland de ondernemingsraad advies gevraagd omtrent het voornemen de route Eindhoven-London City stop te zetten en daarmee tevens Eindhoven als basis voor activiteiten van VLM op te heffen en wel met ingang van 1 april 2013. In dit kort geding procedure heeft de or hangende die bodemprocedure, de kantonrechter in Rotterdam gevraagd VLM Airlines NV en City Jet LTD te verbieden tot uitvoering van de voorgenomen besluiten over te gaan door taken en of handelingen te verrichten en in het bijzonder door landingsrechten te verhandelen en de vliegbasis Eindhoven te sluiten, totdat in de hoofdzaak door de Ondernemingskamer zou zijn beslist.

Oordeel rechtbank, sector kanton 

De rechtbank buigt zich eerst over de vraag of er een spoedeisend belang aanwezig is, Daarvan acht de rechtbank sprake. De rechtbank verwerpt voorts een beroep op de niet-ontvankelijkheid van de or op grond dat de or ex artikel 26 Wet op de Ondernemingsraden (WOR) beroep in had dienen te stellen bij de Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam. Dit omdat ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding nog geen besluit door de ondernemer op het advies van de or was genomen. Inhoudelijk oordeelt de rechtbank vervolgens als volgt. Vast staat dat er bij de verhandeling van de landingsrechten van Eindhoven buiten het concern, geen vluchten meer kunnen plaatsvinden door VLM Airlines NV vanuit Eindhoven.

De rechtbank acht aannemelijk dat dit tot gevolg heeft dat aan de werkzaamheden van VLM Airlines NV op de basis Eindhoven in feite de grondslag komt te ontvallen. indien dit zou gebeuren, wordt een procedure ex artikel 26 WOR (beroep bij de Ondernemingskamer) tegen het besluit van VLM Airlines NV van 9 november 2012 in feite zinloos, waarmee tekort wordt gedaan aan de medezeggenschapsrechten van de or ter zake van dat besluit. De rechtbank oordeelt dan ook dat er een duidelijk en groot belang voor de or is bij de gevraagde beslissing. Tegenover dit belang van de ondernemingsraad hebben gedaagden gesteld dat VLM Airlines NV geen zeggenschap heeft over de landingsrechten en dat City Jet LTD niet als mede-ondernemer is te beschouwen, zodat aan haar niet een dergelijk verbod kan worden opgelegd.

Met betrekking tot dit mede-ondernemerschap overweegt de rechtbank het volgende. Dat verhandeling van de landingsrechten rechtstreeks leidt tot beëindiging van de werkzaamheden van VLM Airlines NV op de basis Eindhoven is niet weersproken. Voor het aannemen van medeondernemerschap van City Jet LTD is vereist dat City Jet LTD een positie inneemt die haar stelselmatig zodanig invloed binnen de onderneming verschaft, dat gezegd kan worden dat zij die onderneming mede in stand houdt. Het hoeft dan niet te gaan om een stelselmatig uitgeoefende bevoegdheid. Ook een zelfstandig werkend besluit van een moedermaatschappij kan zo rechtstreeks ingrijpen in de onderneming van de dochter dat, indien aan de overige eisen voldaan is, de moeder voor dat ingrijpen als medeondernemer van de dochter moet worden aangemerkt, omdat anders de medezeggenschapsrechten tekort zouden worden gedaan.

Het antwoord op deze vragen acht de rechtbank in sterke mate afhankelijk van de omstandigheden van het geval, in het bijzonder van de beslissingsstructuur binnen het concern in het algemeen en ten aanzien van het in het geding zijnde besluit in het bijzonder. Een kort geding leent zich niet voor een vergaand onderzoek daarnaar. Naar het voorlopig oordeel van de rechtbank echter, valt niet uit te sluiten dat er sprake is van mede-ondernemerschap van City Jet LTD dan wel dat VLM Airlines NV medezeggenschap heeft gehad over de beslissing de landingsrechten te verhandelen. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat er een zogenoemde wetlease-overeenkomst bestaat tussen VLM Airlines NV en City Jet LTD, die inhoudt dat VLM Airlines NV vliegtuigen, bemanning, onderhoud en verzekering levert aan City LTD tegen vaste prijzen en met een vaste marge, terwijl de zeggenschap over de distributie van vluchten en het commercieel risico daarvan niet meer bij VLM Airlines NV ligt. De rechtbank acht aannemelijk, gelet op deze praktijk, en gelet op een eerdere uitspraak van de Ondernemingskamer van 14 oktober 2010 tussen dezelfde partijen, dat een ander dan VLM Airlines NV de onderneming in stand houdt. In de eerdere uitspraak tussen partijen is VLM Airlines NV voor de daar aan de orde zijnde besluiten al als mede-ondernemer aangemerkt.

De rechtbank Rotterdam, sector kanton, wijst het verzoek van de or dan ook in zoverre toe en verbiedt VLM Airlines NV en City Jet Limited om tot 9 december 2012 over te gaan tot uitvoering van het besluit van 9 november 2012 en in het bijzonder tot het verhandelen van de landingsrechten met betrekking tot de basis Eindhoven.

 Aantekening 

De rechtbank Rotterdam past hier voor het bepalen van mede-ondernemerschap het door de Hoge Raad eerder geformuleerde criterium toe. Volgens de Hoge Raad en volgens de rechtbank is vereist dat een positie wordt ingenomen die stelselmatig zodanig invloed binnen de onderneming verschaft, dat gezegd kan worden dat die onderneming mede in stand wordt gehouden.

Let op  

De voorzitter van de Ondernemingskamer wees er eerder in een publicatie op dat het woord “stelselmatig” in de formule van de Hoge Raad niet als bijvoeglijk naamwoord van “invloed” moet worden gelezen, maar als een bijwoord bij “verschaffen”. In de combinatie van de woorden “positie” die “invloed verschaft” valt niet de eis te lezen dat de invloed daadwerkelijk stelselmatig wordt uitgeoefend. Voldoende zou dan zijn dat stelselmatig de mogelijkheid bestaat (“de positie die verschaft”) die invloed uit te oefenen. De omstandigheid dat die invloed daadwerkelijk slechts in een concreet geval werd uitgeoefend, hoeft dan dus niet aan het aannemen van mede-ondernemerschap in de weg te staan.

P. Ingelse, ‘Mede-ondernemen en concern enquête’. Tijdschrift voor ARBEID & ONDERNEMING, Nr. 1 april 2012, pag. 29

Datum
31 maart 2013

Rechtsgebied
Medezeggenschapsrecht

Geplaatst in
Raad van Medezeggenschap – Organisatorisch beleid – maart 2013 pag. 13-14

Nieuwsbrief

Meer informatie