| samen sterk in arbeidsrecht

© 2019 Sprengers Advocaten
Maatwerk software door Way2Web

Verruiming openingstijden

In onze cao staat dat ‘het management’ de openingstijden en de telefonische bereikbaarheid van de verschillende afdelingen bepaalt. In de cao staat tevens vermeld dat dit geschiedt zowel binnen de grenzen en normen van de Arbeidstijdenwet als conform de normen van de toepasselijke cao. Onze bestuurder is van plan de openingstijden en bereikbaarheid van de verschillende afdelingen te vergroten. Volgens onze bestuurder kan dat gewoon gebeuren conform de cao-bepalingen en hoeft de or hier niet bij te worden betrokken. Met andere woorden: onze bestuurder zal de or niet om instemming conform artikel 27 WOR vragen, omdat dit onderwerp volgens hem al inhoudelijk is geregeld bij cao. Is dit juist?

Relevant is in dit verband artikel 27 lid 3 WOR. Dat artikel bepaalt dat het instemmingsrecht van een or vervalt indien een aangelegenheid inhoudelijk is geregeld in een cao. De achterliggende gedachte is dat over arbeidsvoorwaarden(regelingen) waarover – na onderhandelingen – overeenstemming is bereikt tussen werkgevers en vakbonden, niet ook nog eens de instemming van de or hoeft te worden verzocht. Uit de rechtspraak blijkt dat onder ‘inhoudelijk geregeld in een cao’ wordt verstaan dat het onderwerp zogenoemd ‘uitputtend’ in de cao is geregeld. Voor de vraag of een onderwerp uitputtend is geregeld, is beslissend in hoeverre de ondernemer, ondanks de caobepalingen, feitelijk nog zelfstandige beslissingsbevoegdheid op dat onderwerp heeft. Als een cao-regeling de ondernemer nog vrijheid laat bij het uitvoeren van de cao, dan is er geen sprake van een uitputtende regeling. Indien de ondernemer in zo’n geval nadere regels opstelt over een onderwerp dat wordt opgesomd in artikel 27 lid 1 WOR, dan moet de ondernemer daarvoor aan de or om instemming vragen. Vaak is er bij een cao die het karakter heeft van een zogenoemde ‘raamregeling’ nog ruimte voor een eigen koers en keuze van de ondernemer en dus tevens voor het instemmingsrecht van de or. Maar, zoals hiervoor uitgelegd, als de cao de zaken tot in detail regelt en vastlegt en er geen ruimte meer is voor eigen keuze van de ondernemer, zal de or ook geen instemmingsrecht meer hebben op die onderwerpen.

Als de verruiming van de openingstijden leidt tot een wijziging in de arbeidsduur voor de betrokken werknemers, bij welk loket moet de ondernemer dan zijn? Bij de or of bij de vakbonden?

Het kan zo zijn dat wijzigingen in werktijden – of, zoals je ook regelmatig tegenkomt, wijzigingen in dienstroosters – tot meer leidt dan de wijziging in werktijdenregeling en van het dienstrooster alleen. Soms leidt het indirect, maar soms ook direct tot een wijziging van een primaire arbeidsvoorwaarde zoals de arbeidsduur of de beloning. Bijvoorbeeld omdat, door ‘weging’ van arbeidsuren, de gewerkte uren een verschillende loonwaarde toebedeeld gekregen hebben. Uitgangspunt is dat het instemmingsrecht van de or geen betrekking heeft op de primaire arbeidsvoorwaarden. Het lastige kan daarbij wel zijn dat het begrip ‘primaire arbeidsvoorwaarde’ niet altijd even goed is af te bakenen in het kader van artikel 27 WOR. Zoals een wijziging van een winstdelingsregeling (instemmingsplichtig op grond van artikel 27 lid 1 sub a WOR) die leidt tot een wijziging in de hoogte van de beloning (= primaire arbeidsvoorwaarde). De wijziging van de hoogte van de beloning valt dan buiten het bereik van het instemmingsrecht dat bestaat voor de winstdelingsregeling. De WOR maakt onderscheid tussen enerzijds de (min of meer onbegrensde) materie die aan het reguliere overleg tussen werkgevers en vakbonden over (primaire) arbeidsvoorwaarden is voorbehouden en anderzijds de limitatief opgesomde instemmingkwesties waartoe het overleg met de or zich bij uitstek leent. Soms probeert een ondernemer zelfs via de weg van een instemmingsverzoek van de ondernemer aan de or het vrije onderhandelingsrecht van bonden te frustreren. Met andere woorden, de ondernemer houdt het onderwerp weg bij de vakbonden, maar legt het wel ter instemming voor aan de or. Een or kan in zo’n geval stellen – indien een onderwerp vooralsnog kan worden aangemerkt als ‘inhoudelijk geregeld’ in de zin van artikel 27 lid 3 WOR – dat het overleg met de bonden moet worden voortgezet en afgewacht. Het moet dan wel duidelijk zijn dat de belangen van de vakbonden door de handelwijze van de ondernemer ernstig worden geschaad

Datum
1 december 2011

Rechtsgebied
Medezeggenschapsrecht

Geplaatst in
Rubriek “Gabi geeft antwoord” in: OR Informatie december 2011, 12, p. 19

Nieuwsbrief

Meer informatie