| samen sterk in arbeidsrecht

© 2019 Sprengers Advocaten
Maatwerk software door Way2Web

Versterkt voordrachtsrecht van de OR

Onze onderneming is een structuurvennootschap en valt onder de structuurregeling. Wij hebben dus naast onze directie een Raad van Commissarissen. Bij belangrijke besluiten van de directie (bijvoorbeeld een overname of een fusie) is de goedkeuring van de rvc nodig. Bij deze besluiten zijn wij natuurlijk ook betrokken. Wij worden verder echter niet door de rvc betrokken bij diens besluitvorming. Evenmin zoeken wij tot nu toe geen contact met de rvc. Toch denken wij dat dat zinvol kan zijn. Wij hoorden ook dat een or invloed heeft op de benoeming van de commissarissen. Hoe werkt dat precies?

De ondernemingsraad heeft een zogenaamd ‘versterkt’ voordrachtsrecht voor de benoeming van één derde van de rvc. Achterliggende gedachte is onder meer dat er op die manier een relatie ontstaat tussen de or en de rvc. En dat de ondernemingsraad zo meer invloed kan uitoefenen op de strategie van het bedrijf.

Op grond van artikel 2:268 lid 6 van het Burgerlijk Wetboek heeft een ondernemingsraad dit bijzondere aanbevelingsrecht. Dat betekent dus dat voor een derde van het aantal leden van de rvc geldt dat de rvc een door de ondernemingsraad aanbevolen persoon op voordracht plaatst. De rvc kan hiervan afwijken in geval hij bezwaren heeft tegen de aanbeveling van de ondernemingsraad. De rvc kan slechts op de volgende twee gronden bezwaar maken tegen de aanbeveling:

• De rvc is niet naar behoren samengesteld Onder ‘niet naar behoren samengesteld’ wordt verstaan dat de rvc op een essentieel punt deskundigheid of ervaring mist. Ook als er sprake is van partijdige belangenvertegenwoordiging of grote te verwachten onenigheid kan van ‘niet naar behoren samengesteld’ worden gesproken.

• De persoon is ongeschikt voor de vervulling van zijn taak van commissaris.

Als de rvc bezwaren heeft tegen de aanbeveling van de ondernemingsraad, moet hij de or daarvan op de hoogte stellen. Daarbij vermeldt de rvc tevens de bezwaargrond. Hij moet goed motiveren waarom de kandidaat niet geschikt zou zijn. Vanwege die motiveringsplicht wordt ook wel gesproken van een ‘versterkt’ aanbevelingsrecht. Na het uiten van de bezwaren door de rvc treden de or en de rvc dan onverwijld met elkaar in overleg om te onderzoeken of alsnog overeenstemming kan worden bereikt. Lukt dan niet binnen vier weken, dan kan een vertegenwoordiger van de rvc de Ondernemingskamer van het Hof te Amsterdam verzoeken te verklaren dat het bezwaar van de commissarissen gegrond is.
De term ‘een derde’ betreft het aantal plaatsen waarvoor het versterkte aanbevelingsrecht geldt en niet het aantal commissarissen dat feitelijk door tussenkomst van de ondernemingsraad is benoemd. Verder is de or niet verplicht van zijn versterkt recht van aanbeveling gebruik te maken. Als de ondernemingsraad er geen gebruik van wenst te maken, moet hij de rvc daarvan op de hoogte stellen. Een reden hoeft de ondernemingsraad niet te geven

In de praktijk blijkt dat zeker niet alle ondernemingsraden gebruik maken van het versterkte voordrachtsrecht. Dit heeft ook te maken met onbekendheid van deze procedure. Als meer ondernemingsraden ermee bekend raken, kunnen zij ook meer profijt hebben van een betere relatie tussen or en rvc. Een regelmatig contact tussen Ondernemingsraad en rvc over het goed functioneren van de onderneming is vaak heel nuttig. Maar ook los van het versterkte voordrachtsrecht van de Ondernemingsraad kan het zinvol zijn om een standpunt in te nemen over de benoeming van alle rvc-leden en die mening vervolgens kenbaar te maken aan de rvc en Algemene vergadering van Aandeelhouders. Van de andere kant kan de ondernemingsraad natuurlijk ook advies inwinnen bij de rvc. Op die manier kan ook de kennis en ervaring van de rvc door de ondernemingsraad worden benut.

Datum
19 november 2015

Rechtsgebied
Medezeggenschapsrecht

Geplaatst in
OR informatie (rubriek Gabi geeft antwoord) November 2015. nr. 11 pag. 31

Nieuwsbrief

Meer informatie