| samen sterk in arbeidsrecht

© 2019 Sprengers Advocaten
Maatwerk software door Way2Web

Wanneer is een or in een gemeente verplicht?

Wij zijn een or van een kleine gemeente. Bij ons werken in totaal 40 personen. In de WOR is de wettelijke grens om een or in te stellen op 50 werknemers bepaald. Toch is er bij ons een or. Onze bestuurder vroeg zich met het oog op de bepaling in de WOR af of onze gemeente eigenlijk wel een or moet hebben?

Ja, jullie – weliswaar – kleine gemeente is toch verplicht een or in te stellen. Dit hangt samen met artikel 5a van de WOR. Daarin is vastgelegd dat bij cao of een publiekrechtelijke regeling van arbeidsvoorwaarden (vgl. het CAR UWO) de instellingsgrens voor een Ondernemingsraad van 50 ook lager kan worden gesteld. En inderdaad, in het CAR UWO is bepaald dat in gemeenten met 35 werknemers de rechten en plichten met betrekking tot or’s gelijk worden gesteld met die van ondernemingen met 50 of meer werknemers. Artikel 14:1:1 van het CAR UWO luidt: ‘gelet op het bepaalde in artikel 5a, eerste lid van de Wet op de ondernemingsraden (WOR) zijn gemeenten voor hun onderneming of onderdelen daarvan als bedoeld in artikel 4 van de WOR, verplicht een ondernemingsraad in te stellen indien en voor zolang in hun onderneming ten minste 35 personen werkzaam zijn als bedoeld in artikel 1, tweede en derde lid , van de WOR.‘ Let op dat voor de ’35- grens’ ook meetellen de medewerkers die op basis van een uitzendovereenkomst ten minste 24 maanden werkzaam zijn bij de gemeente. Tevens horen de medewerkers die formeel zijn aangesteld bij de gemeente, maar elders zijn gedetacheerd of anderszins werkzaam zijn, ook tot de werknemers als bedoeld in de WOR horen en tellen mee voor de ’35- grens’.

Onze or-leden willen graag af en toe een cursus specifi ek gericht op or-leden, volgen. De or heeft nog nauwelijks scholing gehad. Wij menen dat een cursus om onze kennis bij te spijkeren meer dan welkom is. Op die manier kunnen wij ons or-werk beter doen en kunnen wij ook meer invloed uitoefenen. Welke rechten hebben wij op dit punt?

In artikel 18 lid 2 van de WOR is bepaald dat de or met de ondernemer afspraken moet maken over het aantal dagen per jaar dat or-leden in de gelegenheid worden gesteld om scholing te krijgen. Deze scholing krijgt het or-lid met behoud van zijn salaris. Sinds 2013 is als extra eis voor de scholing in de WOR opgenomen dat die van voldoende kwaliteit moet zijn. Het uitgangspunt is dat de ondernemer en de or in onderling overleg het aantal dagen voor scholing vaststellen. Voor or-leden geldt een wettelijk minimum van ten minste vijf dagen per jaar aan scholing en vorming (vgl. artikel 18 lid 3 van de WOR). Het kan handig zijn om middels een jaarplanning de afspraken over de tijdstippen van de scholing vast te leggen. Het uitgangspunt is dat de gemaakte afspraken moeten worden nagekomen. Op grond van artikel 22 lid 3 van de WOR bestaat er voor de ondernemer een betalingsplicht voor de tussen hem en de or afgesproken scholing. Het moet dan gaan om kosten die redelijkerwijs voor scholing en vorming noodzakelijk zijn. Er bestaat ook een Aanbeveling van de SER-commissie Bevordering Medezeggenschap over de scholing en vorming van de or-leden.
Deze commissie beveelt – zogezegd gelet op het onomstreden belang van een kwalitatief goede medezeggenschap – aan or’s en ondernemers aan om:

1. Op de voor de onderneming passende wijze overleg te voeren over de scholingsbehoeften van de ndernemingsraad, en
– daarbij te kiezen voor een door de Stichting SCOOR gecertificeerd scholingsinstituut;
– zich daarbij te oriënteren op de jaarlijks vastgestelde richtbedragen (Ter info: Het richtbedrag voor 2015 voor een maatwerkcursus voor de hele or is gesteld op € 940 per dagdeel per or per trainer. Het richtbedrag voor or-cursussen met een open inschrijving is € 185 per dagdeel per individueel or-lid).
2. De afspraken onder 1. (‘scholingsplan’) desgewenst vast te leggen in een regeling of convenant; het scholingsplan kan betrekking hebben op een zittingsjaar of een gehele zittingsperiode.
3. Onderlinge geschillen over de redelijkheid of interpretatie van de toepassing van het wettelijk scholingsrecht (omvang, betaling etc.) gezamenlijk of afzonderlijk voor te leggen aan de bedrijfscommissie waaronder de onderneming valt, op basis van de daartoe door de SER in zijn Verordening op de bedrijfscommissies opgestelde procedure.

Een ondernemer heeft er natuurlijk groot belang bij dat de or kan beschikken over bekwame leden die geleerd hebben wat wel kan en niet behoort. Dat lijkt mij het juiste argument om de ondernemer zover te krijgen om goede afspraken te maken over de scholingsdagen en de bekostiging daarvan

Datum
12 maart 2015

Rechtsgebied
Medezeggenschapsrecht

Geplaatst in
OR informatie (rubriek Gabi geeft antwoord) Maart 2015. nr. 3 pag. 21

Nieuwsbrief

Meer informatie