| samen sterk in arbeidsrecht

© 2019 Sprengers Advocaten
Maatwerk software door Way2Web

Wijziging in de regeling bedrijfscommissies

Op 25 september 2009 heeft de bestuurskamer van de SER de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een brief gestuurd over de herziening van het stelsel van bedrijfscommissies. In deze brief komen drie herzieningsvoorstellen aan de orde.

1. Drie bedrijfscommissies

De bestuurskamer van de SER heeft besloten om het aantal van 23 bedrijfscommissies voor de marktsector terug te brengen tot twee bedrijfscommissies. Een bedrijfscommissie voor de profit en een voor de non-profit sector. Daarnaast blijft de Bedrijfscommissie voor de overheid bestaan, die onder de verantwoordelijkheid van de minister van BZK valt.
In de notitie De bedrijfscommissies: een nieuwe opzet van 18 september 2009, bijlage bij de brief, worden de overwegingen van de bestuurskamer uiteengezet. In 1952 is gestart met tien bedrijfscommissies. Er heeft een groei plaatsgevonden. Eind jaren negentig waren er 68 bedrijfscommissies, in 2002 teruggebracht tot 24 bedrijfscommissies. Uit onderzoek dat de SER in 2008 heeft verricht blijkt dat er op jaarbasis ongeveer honderd verzoeken bij alle bedrijfscommissies, inclusief de overheid, worden ingediend. De bestuurskamer constateert dat het aantal bemiddelingsverzoeken onvoldoende lijkt om 24 bedrijfscommissies op een effectieve en efficiënte wijze met voldoende knowhow en expertise in stand ten houden.
De bedrijfscommissie voor de profit en voor de non-profit sector zullen worden gehuisvest bij de SER, evenals het secretariaat. De bedrijfscommissies zullen worden bekostigd uit de SER-heffing. Dit is anders dan nu, waar werkgevers en werknemersorganisaties die leden benoemen in de bedrijfscommissies de kosten dragen. Binnen de bedrijfscommissie wordt de samenstelling van leden van de geschillencommissie per geschil bekeken, rekening houdend met de sector waarin het geschil speelt. De bedrijfscommissie zal daartoe een register van sectordeskundigen aanleggen.

2. Verzoek tot wetswijziging om verplichte karakter van bemiddeling te laten vervallen

De bestuurskamer is van mening dat bemiddeling pas werkelijk kans van slagen heeft als beide partijen daarvoor openstaan. Als dit laatste niet het geval is, wordt de bemiddelingsverplichting door een of beide partijen vaak slechts ervaren als een hinderlijke en tijdrovende drempel op weg naar de kantonrechter, en daarmee als een onnodige verlenging van de geschillenprocedure gezien.
Dit leidt de bestuurskamer af uit het onderzoek dat in 2008 door de SER is gehouden. Daarom adviseert de bestuurskamer de minister om het verplichte karakter te schrappen uit de wet, hetgeen onverlet laat dat ook voor de toekomst de bemiddeling (maar dan op vrijwillige basis) als een belangrijke taak wordt beschouwd van de bedrijfscommissies.

3. Verzoek tot schrappen van een aantal registratietaken

Voorts verzoekt de bestuurskamer de minister om de registratietaken van bedrijfscommissies van (voorlopige) or-reglementen, wijzigingen in de or-reglementen en or-jaarverslagen te laten vervallen. Registratie van deze documenten dient geen duidelijk doel meer, zo blijkt ook uit de praktijk, en voor zover het doel van registratie zou zijn inzicht te krijgen in het aantal functionerende ondernemingsraden en de kwaliteit daarvan, kan dat ook ( … ) langs andere weg worden bereikt. De registratieverplichting voor vrijwillig ingestelde ondernemingsraden en ondernemingsovereenkomsten dient evenwel te worden gehandhaafd, omdat informatie hierover niet uit andere bron kenbaar is.

Commentaar

Eind 2009 is de minister naar buiten gekomen met het kabinetsstandpunt over de toekomst van de medezeggenschap (zie ook in deze aflevering: TRA 2010, 11). Daarin is ook gereageerd op dit verzoek van de SER om op een paar punten de wet aan te passen. Uit het kabinetsstandpunt blijkt dat dit ook overeenkomstig de wensen van de SER zal geschieden.

Voor het terugbrengen van het aantal bedrijfscommissies is geen wetswijziging nodig. Dit behoort tot de bevoegdheden van de bestuurskamer. Het is nog niet bekend op welk moment de nieuwe bedrijfscommissies ingesteld zullen worden. De verwachting is dat dit in de loop van 2010 zal geschieden.
Voorstellen van de bestuurskamer sluiten voor een groot deel aan bij het wetsvoorstel Wet Medezeggenschap Werknemers uit 2005 iKamerstukken II 2005/06,29818, zie daarover L.C.]. Sprengers & M. van Leeuwen-Scheltema, ‘WMW2: Waarom Moet WOR Weg’?, SR 2004, 89; Special: Van WOR naar WMW, 2005/5.). Dit wetsvoorstel ging verder door de voorgeschreven structuur van bedrijfscommissies af te schaffen, het verplichte karakter van bemiddeling af te schaffen en eveneens het schrappen van een aantal administratieve taken.
In de aanbevelingen aan de wetgever over de toekomst van de medezeggenschap die in 2009 zijn uitgebracht door de werkgroep medezeggenschap van de Vereniging van arbeidsrecht wordt eveneens aangedrongen op het laten vervallen van het verplichte karakter van de
bemiddeling bij bedrijfscommissies. (Aanbeveling 27 t/m 29, W.H. Hogerzeil, M. Rodriguez Escudero & S.W. Geelkerken, hfst. 8 Geschillenregeling, in: L.C]. Sprengers & G.W. van der Voer (red.), De toekomst van de medezeggenschap. Aanbevetingen aan de wetgever, Reeks VvA nr. 37, Deventer: Kluwer 2009).
De vrees is weI geuit dat dit voorstel zou kunnen leiden tot een verdere juridisering van medezeggenschapsoverleg (zie bijvoorbeeld persbericht Bedrijfscommissie voor de Groothandel van 16 oktober 2009). Ik denk niet dat dit het geval zal zijn. Te constateren valt dat reeds nu in een aantal geschillen die voorgelegd worden aan de bedrijfscommissie de partijen op voorhand voornemens zijn om door te procederen bij de kantonrechter om een bindende uitspraak te krijgen. Bij dergelijke vaak principiële zaken over de wetsuitleg hebben partijen al overleg met elkaar gevoerd en geconstateerd dat zij een
meningsverschil hebben dat zij door de kantonrechterbeslist willen zien. Bemiddeling wordt dan gezien als een verplichte horde die alleen leidt tot tijdsoponthoud. Het is ook waarneembaar als gekeken wordt naar de gepubliceerde jurisprudentie, dat partijen nu al vaak oplossingen zoeken om de bedrijfscommissie over te slaan in dergeIijke situaties. Zie Ktr. Rotterdam 11 november 2003,JAR 2003/290; Ktr. Utrecht 10 augustus 2004,JAR 2004/207; Ktr. Apeldoorn 2 april 2008, JAR 2008/117, waar partijen op grond van art. 96 Rv zich rechtstreeks tot de kantonrechter hebben gewend. De Kantonrechter Middelburg (3 oktober 2006, JAR 2007/276) sanctioneert, ten onrechte, het overslaan van de bedrijfscommissie, maar daarentegen concludeert de Kantonrechter Heerlen (16 februari 2005, JAR 2005/88). gezien de wettekst terecht, tot niet ontvankelijkheid omdat het geschil niet eerst is voorgelegd aan de bedrijfscommissie. Het komt ook voor dat partijen aangeven aan de bedrijfscommissie geen behoefte te hebben aan bemiddeling, waarna de bedrijfscommissie afziet van een inhoudelijke behandeling van het geschil (zie bijvoorbeeld Ktr. Rotterdam 28 juli 2009, JAR 2009/210).

De vraag is of de bedrijfscommissies als vrijwillig in te schakelen bemiddelende instantie een functie zullen blijven vervullen. Ik denk het weI. Als gekeken wordt naar de zeeffunctie van de huidige procedure bij de bedrijfscommissie dan valt op dat in ongeveer 90% van de gevallen partijen niet verder procederen na bemiddeling of advies van de bedrijfscommissie. Dit lijkt te indiceren dat er waarde gehecht wordt aan de procedure bij de bedrijfscommissie in dergelijke gevallen. Zeker voor de Bedrijfscommissie voor de Overheid en de Bedrijfscommissie Zorg en Welzijn kan geconstateerd worden dat deze een toevoer van zaken krijgen die niet volledig weg zal vallen als het verlichte karakter komt te vervallen. Het zal wel van belang zijn dat de bedrijfscommissies ook daadwerkelijk in staat zijn om hun bemiddelende taak inhoud te geven op een adequate wijze. Dit vereist een inrichting van de organisatie die het mogelijk maakt om geschillen snel te behandelen. Ook is van belang dat de leden van de bedrijfscommissie ook toegerust zijn op het uitoefenen van de bemiddelende taak. Dit is meer dan schriftelijk kennisnemen van de standpunten van beide partijen en vervolgens een schriftelijk advies uitbrengen. Het horen van partijen zou standaard moeten zijn. Concentratie van het aantal bedrijfscommissies kan er ook voor zorgen dat er een professioneel ondersteunend apparaat beschikbaar is, dat hiervoor zorg kan dragen.
Het schrappen van een aantal registratietaken past in de tendens om te komen tot het verminderen van de regeldruk. Terecht constateert de bestuurskamer dat ook op een andere wijze een beeld verkregen kan worden van het aantal functionerende ondernemingsraden en de kwaliteit daarvan. De periodieke onderzoeken die het Ministerie van SZW daarnaar laat verrichten geven daar inzicht in. Opvallend is dat de SER aangeeft dat de registratieverplichting voor ondernemingsovereenkomsten gehandhaafd dient te worden. Daarvoor wordt aangevoerd dat de informatie hierover niet uit andere bron kenbaar is. Hieruit blijkt dat het doel van de registratie niet gezien moet worden als een voorwaarde voor de rechtsgeldigheid van een overeenkomst. Maar louter om inzicht te krijgen in aantal en inhoud van ondernemingsovereenkomsten. Ik zie deze toegevoegde waarde niet in. Als gekeken wordt naar het aantal geregistreerde ondernemingsovereenkomsten op dit moment bij bedrijfscommissies dan kan geconstateerd worden dat dit een fractie is van het aantal overeenkomsten dat tot stand komt. Iedere afspraak die tussen ondernemer en ondernemingsraad gemaakt wordt waarin extra bevoegdheden worden toegekend dan wel zaken geregeld worden die bij of krachtens de WOR geregeld zijn, zijn als een ondernemingsovereenkomst te beschouwen. Veelal realiseren partijen zich niet dat zij een ondernemingsovereenkomst hebben afgesloten als bedoeld in art. 32 WOR. maar gaan ze er vanuit dat zij afspraken hebben gemaakt. Het valt niet in te zien dat het louter hand haven van deze registratieverplichting deze praktijk zou doen veranderen en daarmee een representatief beeld verkregen wordt van het aantal ondernemingsovereenkomsten dat wordt afgesloten. In die zin lijkt er meer voor te zeggen om ook ten aanzien van dit onderwerp andere wegen te bewandelen om daarin inzicht te krijgen bijvoorbeeld in het kader van de periodieke onderzoeken die door of namens het Ministerie van SZW verricht worden. Het schrappen van deze registratieverplichting neemt ook de juridische discussie op voorhand weg of er sprake is van ondernemingsovereenkomst, indien deze niet ter registratie aan de bedrijfscommissie is gestuurd.

Prof. mr. L.C.J. Sprengers

Datum
1 februari 2010

Rechtsgebied
Medezeggenschapsrecht

Geplaatst in
TRA – Actueel februari 2010, 2, p. 24-26

Nieuwsbrief

Meer informatie