| samen sterk in arbeidsrecht

© 2018 Sprengers Advocaten
Maatwerk software door Way2Web

WOR aanpassen om flexwerkers meer medezeggenschap te geven

Or en flexwerkers

Begin december 2015 nam de Tweede Kamer een motie aan waarin is aangegeven dat flexwerkers binnen de huidige WOR relatief weinig inspraakrechten hebben. Ook is aangegeven dat mensen met tijdelijke contracten en uitzendcontracten belang hebben bij een goede medezeggenschap. Daarom is de regering gevraagd de Tweede Kamer voor 1 juli 2016 te informeren over hoe de inspraak van flexwerkers kan worden vergroot.

Uit voorgaande bijdragen in deze reeks1 blijkt het belang dat wordt gehecht aan meer medezeggenschap voor flexwerkers vanwege de al maar toenemende flexibilisering van de arbeidsrelaties. Ook is ingegaan op de mogelijkheden die er zijn binnen de huidige wetgeving. Ik zal in dit artikel nagaan hoe de Wet op de ondernemingsraden aangepast zou kunnen worden om de medezeggenschapsrechten van flexwerkers te vergroten. Daarvoor zijn twee invalshoeken van belang: 1. bij wet meer medezeggenschapsrechten aan flexwerkers toekennen; of 2. meer mogelijkheden bieden om in reglementen en dergelijke flexwerkers meer bij de medezeggenschap te betrekken.

Definitie in wet aanpassen

De afgelopen periode heeft de wetgever actief ingegrepen in de arbeidswetgeving om de rechtspositie van de flexibele arbeidskrachten te versterken. In het kader van de Wet werk en zekerheid (WWZ) zijn wijzigingen aangebracht in de ketenbepaling, de verplichting om ook voor tijdelijke contracten na twee jaar transitievergoeding te betalen. De Wet aanpassing schijnconstructies is ingevoerd om de loonbetaling en ketenverhoudingen beter te waarborgen. De positie van de payroll-werknemer is versterkt. Waar eerdergenoemde motie toe oproept, is om ook de inspraakrechten van flexwerkers binnen de kaders van de WOR te vergroten. Hierbij zal een politieke afweging gemaakt moeten worden of de groep in de onderneming werkzame personen waartoe de Wet op de ondernemingsraden zich uitstrekt vergroot moet worden. Zowel wat betreft het soort werkrelaties als wat betreft het moment vanaf wanneer zij medezeggenschapsrechten gaan krijgen.

Op dit moment is in artikel 1 WOR geregeld dat onder de in de onderneming werkzame personen vallen degenen die een arbeidsovereenkomst met of aanstelling bij de ondernemer hebben. Geen arbeidsovereenkomst (of voor ambtenaren aanstelling) betekent geen medezeggenschapsrechten. Daar is één uitzondering op gemaakt in artikel 1 lid 3 onder a WOR. In dit artikel is aangegeven dat uitzendkrachten die tenminste 24 maanden werkzaam zijn in het kader van de werkzaamheden van de onderneming waar zij zijn gedetacheerd, vanaf dat moment ook medezeggenschapsrechten hebben. Om flexwerkers meer inspraakrechten te geven, ligt het voor de hand om de omschrijving van het begrip in de onderneming werkzame personen te verruimen. Meer gewicht zou moeten worden toegekend aan het criterium of mensen ‘in het kader van de werkzaamheden van de onderneming werkzaam zijn’ dan aan de vraag of dit krachtens een arbeidsovereenkomst of uitzendovereenkomst is. Er vindt bijvoorbeeld op dit moment een juridisch debat plaats over de vraag of een payroll-werknemer krachtens een uitzendovereenkomst werkzaam is of niet. Ook zzp’ers komen in verschillende varianten voor. Indien een zzp’er betrokken is bij de onderneming in het kader van de werkzaamheden van de onderneming, zou die hier ook ondergebracht kunnen worden. De vraag is wel of er niet enige afbakening moet plaatsvinden om heel korte en/of losse relaties hier buiten te laten vallen. Dit kan door een tijdscriterium op te nemen met betrekking tot de minimale duur waarop iemand betrokken zou moeten zijn bij de onderneming. Een ander element is de minimale tijd die iemand in de onderneming werkzaam moet zijn. Op dit moment is in artikel 6 WOR opgenomen dat iemand het actief kiesrecht na zes maanden krijgt en het passief kiesrecht(om gekozen te kunnen worden) na twaalf maanden. Hiervan kan bij reglement worden afgeweken. Ten aanzien van uitzendkrachten is bepaald dat deze pas na 24 maanden gelijk worden gesteld aan een in de onderneming werkzame persoon. In de rechtspraak wordt er vanuit gegaan dat daarna de zes- en twaalfmaandentermijn pas gaan lopen. Dit laatste voorbeeld zorgt ervoor dat uitzendkrachten in de meeste gevallen geen rol kunnen spelen binnen de onderneming waar zij gedetacheerd zijn, omdat uitzendrelaties van 30 maanden of 36 maanden voor het passief kiesrecht en langer meer uitzondering zijn dan regel. Indien de politiek de positie van flexwerkers wenst te versterken, zou deze norm moeten worden verlaagd naar bijvoorbeeld zes of twaalf maanden en daarna terstond ook toekenning van actief en passief kiesrecht.

Reglement aanpassen

We kunnen ook andere knelpunten wegnemen, waar tegenaan wordt gelopen als de medezeggenschapsrechten van flexwerkers worden uitgebreid. De WOR kent een aantal bepalingen over de verkiezing van een ondernemingsraad. Deze moeten waarborgen dat een ieder gelijke kansen heeft om aan de or-verkiezingen deel te nemen. Het zorgt ook voor een mandaat van de or vanuit zijn achterban. Dit sluit goed aan bij het stelsel van verkiezingen zoals we dat ook elders in onze democratie kennen, de verkiezing van de volksvertegenwoordiging. Tegelijkertijd valt te constateren dat de nodige or-en met lege zetels zitten of niet meer kandidaten hebben dan er zetels zijn, waardoor er geen verkiezingen worden gehouden. Dit is jammer, maar wel een feit. Bij vrijkomende vacatures moeten er op basis van de wet tussentijdse verkiezingen worden gehouden. Dit alles wordt in de praktijk als omslachtig beschouwd en het komt met regelmaat voor dat kandidaten worden benaderd om een tussentijdse vacature in te vullen. Juridisch is dat niet in de haak, maar als niemand piept kan het stand houden. Op dit punt zouden theorie en praktijk meer met elkaar in evenwicht gebracht kunnen worden, door te bepalen dat ten aanzien van niet ingevulde vacatures of bij tussentijdse verkiezingen wanneer er geen kandidaten meer op de lijst staan, de ondernemingsraad over kan gaan tot het benoemen van nieuwe or-leden voor de resterende zittingstermijn. Met name voor de categorie flexwerkers zou dit een belangrijke mogelijkheid kunnen opleveren om deze beter in de ondernemingsraad vertegenwoordigd te krijgen of te houden. Het is dan makkelijker om ervoor te zorgen dat arbeidskrachten uit de flexibele schil op vrijkomende plekken ingezet kunnen worden.

Kwaliteitszetels

Een andere aanpassing in de wetgeving die soelaas zou kunnen bieden is het creëren van zogenaamde kwaliteitszetels in de or. Het zou moeten worden toegestaan om in het reglement op te nemen dat één of meer zetels ingevuld dienen te worden vanuit arbeidskrachten werkzaam in de flexibele schil. In combinatie met de hiervoor genoemde benoemingsmogelijkheid, biedt dat meer ruimte voor ondernemingsraden die willen borgen dat er in hun midden altijd vertegenwoordigers vanuit de flexibele arbeidsschil kunnen zijn. Voor een deel kan dat binnen het huidig systeem al door kiesgroepen te formeren. Er zou een kiesgroep voor de flexwerkers gemaakt kunnen worden, maar het mogelijk maken van kwaliteitszetels die op een andere wijze ingevuld kunnen worden, zou dit nog versterken. Bij die andere invulling zou ook gedacht kunnen worden aan een andere frequentie van verkiezing. De basisregel in de WOR is dat de zittingsduur van een ondernemingsraad drie jaar is, waarbij afwijking in het reglement naar twee of vier jaar mogelijk is. Omdat een ondernemingsraad tijd nodig heeft om zich het ‘vak’ van het or-werk voldoende eigen te maken, is er veel te zeggen voor dergelijke zittingstermijnen. Maar met name voor de groep flexwerkers zou het zo kunnen zijn dat invulling van zetels op andere momenten ook wenselijk is in sommige ondernemingen. De termijnen zoals hierboven omschreven zoals die in de Wet op de ondernemingsraden zijn opgenomen, zijn redelijk statisch. Deze termijnen sluiten niet meer aan bij de ontwikkelingen van het afgelopen decennium met het toenemen van de flexibele schil.

Er is daarom voldoende reden om de WOR op te schonen zodat maatwerk beter mogelijk is, zonder er de nodige vragen bij te stellen of het juridisch wel kan. Dergelijke belemmeringen in de wetgeving wegnemen zou een goede zaak zijn.

 

  1. Dit artikel sluit aan bij de reeks die in OR informatie is gestart over de or en flexwerkers.

Datum
29 februari 2016

Rechtsgebied
Medezeggenschapsrecht

Geplaatst in

OR informatie 2016 1-2

Nieuwsbrief

Meer informatie