| samen sterk in arbeidsrecht

© 2018 Sprengers Advocaten
Maatwerk software door Way2Web

Uitspraken

Bij extra bevoegdheid staat beroepsgang niet open als aangelegenheid onder primaat van de politiek valt

De OR Maastricht heeft in het kader van het adviestraject over de vorming van een shared service centrum met de ondernemer afgesproken dat er een go-nog-advies gevraagd zal worden op een later moment als het businessplan voor handen is. N.a.v de adveisaanvraag over de overheveling van de inkoopafdeling naar het SSC brengt de OR een no-go-advies uit., waarna de ondernemer toch overgaat tot het nemen van het besluit. De OR gaan hier tegen in beroep bij de Ondernemingskamer.

De Ondernemingskamer oordeelt dat het aan de OR toegekende adviesrecht niet impliceert dat de OR bevoegd is beroep in te stellen tegen het besluit dat ertoe strekt ondanks het negatieve advies door te gaan met het SSC. Het staat publiekrechtelijke lichamen vrij om, zoals hier ook het geval is geweest, vroegtijdig ondernemingsraden te betrekken in het proces van raadpleging en zij kunnen ook extra adviesbevoegdheden aan de ondernemingsraad toekennen, maar de ondernemingsraad kan tegen het alsdan te nemen politieke besluit geen beroep instellen bij de Ondernemingskamer. Dat valt onder het primaat van de politiek.

OR ten onrechte niet in de gelegenheid gesteld te adviseren over personele gevolgen van een bedrijfsbeëindiging

Op grond van art. 25 lid 3 WOR dient bij het vragen van advies aan de ondernemingsraad (‘OR’) een overzicht te worden verstrekt van de voorgenomen maatregelen naar aanleiding van de gevolgen die het besluit voor de in de onderneming werkzame personen zal hebben.

De ondernemer GCA heeft op geen enkel moment, niet ten tijde van de adviesaanvraag of daarna, aan de OR te kennen gegeven welke concrete maatregelen werden beoogd ter regeling van de personele gevolgen van de bedrijfsbeëindiging. Dit terwijl de OR in meerdere overlegvergaderingen te kennen heeft gegeven dat hij deze te treffen maatregelen in zijn advisering wil betrekken en dit standpunt ook in zijn advies heeft opgenomen.

Toen het GCA duidelijk werd dat met de vakbonden niet tijdig overeenstemming over aanvulling van het sociaal plan bereikt kon worden, lag het op haar weg om aan de ondernemingsraad duidelijk te maken welke regeling ten aanzien van de personele gevolgen GCA (eenzijdig) zou treffen indien overeenstemming met de vakbonden zou uitblijven, teneinde de ondernemingsraad in de gelegenheid te stellen die voorgenomen maatregelen in zijn advies te betrekken. Nu ook dit niet is gebeurd, oordeelt de Ondernemingskamer dat GCA bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot het besluit had kunnen komen.

Aanvang beroepstermmijn na motivering besluit en onvoldoende maatregelen genomen om de continuïteit van de medezeggenschap te waarborgen

Na overname van TNT door FedEx wordt fasegewijs de nieuwe hoofdstructuur ter advies aan de COR TNT voorgelegd. Bij de adviesaanvraag over het 3e echelon, vindt de COR dat de toekomstige medezeggenschapsstuctuur ingevuld moet worden. TNT vindt dit nog te vroeg. De COR heeft positief geadviseerd onder de voorwaarde dat de continuïteit in de medezeggenschap gewaarborgd blijft, wat inhoudt dat de COR bevoedg blijft over de werknemers van het hoofdkantoor die onder een andere BV worden geplaatst zolang er nog geen afspraken zijn over de nieuwe medezeggenschapsstructuur. TNT neemt dit advies niet over. Een gevolg van het bestreden besluit is dat een deel van de werknemers van TNT niet langer onder de medezeggenschap van de OR van het hoofdkantoor van TNT of de COR valt, terwijl zij feitelijk (mede) werkzaam blijven voor de onderneming van TNT, die vooralsnog niet is geïntegreerd met de onderneming van FedEx. De Ondernemingskamer oordeelt dat, gelet op art. 25 lid 3 WOR, van TNT had verwacht mogen worden dat zij maatregelen zou hebben genomen om de continuïteit van de medezeggenschap voor deze werknemers te waarborgen, in afwachting van de vormgeving van de medezeggenschap bij de daadwerkelijke integratie van beide ondernemingen. Verzoek van de COR wordt toegewezen.

Afspraken bij vorige cao-onderhandelingen staat vrijheid tot voeren van acties niet in de weg

Na mislukte onderhandelingen tussen Jumbo en de vakbonden over een nieuwe CAO Jumbo Logistiek, hebben FNV en CNV Jumbo een ultimatum gesteld en later overgegaan tot het voeren van acties. Jumbo vordert een verbod van die acties.

De voorzieningenrechter volgt Jumbo niet in haar standpunt dat eerder gemaakte afspraken bij de CAO-onderhandelingen tussen FNV en Jumbo het voeren van de acties nu in de weg staat. Er is sprake van acties die vallen onder art. 6 lid 4 ESH en er zijn geen redenen om het recht van de FNV op het voerne van acties in te perken. Vordering van Jumbo wordt afgewezen.

Geen reden om te twijfelen aan juist beleid in overnamestrijd tussen twee bieders

TMG raakt verzeild in een overnamestrijd tussen Talpa en Mediahuis. De leden van RvB zijn niet bereid waren het fusieprotocol met Mediahuis te ondertekenen, waarna de RvC hen heeft geschorst en het fusieprotocol met Mediahuis ondertekent.
Er wordt een enquêteprocedure gestart door Talpa. De COR TMG voert verweer in deze procedure. De COR dringt er bij TMG op aan geen voorkeur uit te spreken voordat er advies is uitgebracht door de COR. TMG heeft een adviesaanvraag na ondertekening fusieprotocol ingediend bij de COR.. De COR heeft ter zitting te kennen gegeven dat hij ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld advies uit te brengen voordat het fusieprotocol met het Consortium is ondertekend. De COR heeft daarom inmiddels op de voet van artikel 26 WOR bij de OK beroep ingesteld tegen dat besluit. Hangende die procedure staat de COR open voor overleg dat er naar verwachting toe zal leiden dat de COR zijn standpunt kan bepalen. (Deze procedure heeft de COR later ingetrokken nadat er goede afspraken met mediahuis zijn gemaakt over het toekomstig beleid)
De Ondernemingskamer oordeelt dat er geen gegronde redenen zijn om aan een juist beleid en een juiste gang van zaken te twijfelen. Het verzoek van Talpa wordt afgewezen.

Onvoorwaardelijk strafontslag onterecht gegeven, in het geheel geen sprake van plichtsverzuim

De ambtenaar, werkzaam bij een penitentiaire inrichting, wordt per 1 juli 2014 onvoorwaardelijk strafontslag verleend vanwege plichtsverzuim. Dit plichtsverzuim bestond uit het verlengen van zijn verblijf in Turkije met enkele dagen om bepaalde zaken te kunnen afronden. Hierdoor kon de ambtenaar niet op tijd terug in Nederland zijn om aldaar zijn dienst te verrichten.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat nu er geen sprake is van plichtsverzuim, de minister niet bevoegd was om appellant een disciplinaire straf op te leggen. Het handelen van de ambtenaar was niet zo ernstig dat dit kan worden aangemerkt als plichtsverzuim. Hetzelfde geldt voor andere verwijten die ten grondslag zijn gelegd aan het ontslagbesluit.

Besluit tot niet-verlenging tijdelijke (tenure track) aanstelling bij universiteit onzorgvuldig en ondeugdelijk gemotiveerd

Besluit tot niet-verlenging tijdelijke (tenure track) aanstelling bij universiteit onzorgvuldig en ondeugdelijk gemotiveerd. De universiteit had het advies van de beoordelingsadviescommissie (‘BAC’) niet aan zijn besluit ten grondslag mogen leggen, omdat dat advies onzorgvuldig en niet deugdelijk tot stand is gekomen en de daarin opgenomen negatieve oordelen onvoldoende zijn onderbouwd. Twee eerdere door de leidinggevende vastgestelde beoordelingen berusten ook op onvoldoende gronden en hadden niet op deze wijze mogen worden vastgesteld, zodat deze worden herroepen.

Toepassen verzwakt structuurregime en voordrachtsrecht OR

Gelet op de inhoud en strekking is het besluit tot toepassing van het verzwakt structuurregime adviesplichtig op de voet van art 25 lid 1 WOR. De beslissing om slechts TC Group functionarissen te benoemen tot commissaris is een zo fundamentele keuze bij toepassing van het (verzwakt) structuurregime, dat die keuze valt onder de reikwijdte van het adviesrecht van de OR. Aan dat adviesrecht kan geen afbreuk worden gedaan door die keuze op te nemen in de profielschets, ten aanzien waarvan de artikel 2:268 lid 3 BW slechts bepaalt dat de RvC de profielschets met de OR bespreekt.

 

Inzet onderkruipers niet toegestaan

Op 8 maart jl is door het gerechtshof Den Bosch een arrest gewezen dat betrekking heeft op de inzet van onderkruipers. De strekking van het arrest is kort gezegd dat een derde/ buitenstaander zich met een stakingsconflict niet mag inmengen door (bijvoorbeeld zelfstandige ) arbeidskrachten aan te leveren die binnen de onderneming van de bestaakte werkgever het werk van de stakers gaan doen. Het hof heeft geoordeeld dat dit in strijd is met de Waadi, waarin een verbod is opgenomen om arbeidskrachten in geval van een stakingsconflict ter beschikking te stellen.

Tot dit arrest was duidelijk dat dit verbod op het aanleveren van arbeidskrachten uit de Waadi zich richtteop uitzend- en detacheringsbedrijven. Daarnaast was er sinds 2008 een arrest ( Hof Amsterdam, 17 maart 2008, ECLI:NL:GHAMS:2008:BC6880) dat duidelijk maakte dat het verbod uit de Waadi een derde/ buitenstaander niet het recht ontneemt een andere onderneming in te schakelen om zijn opdrachten uit te oefenen. Dit is het zogeheten NedTrain arrest. Met het arrest van het Hof van Den Bosch is duidelijk dat een derde /belanghebbende  niet met losse arbeidskrachten kan gaan werken en zo de bestaakte werkgever behulpzaam kan zijn.

Primaat van de politiek – Eens gegeven, blijft gegeven?

Politiek primaat. Het besluit betrof een besluit van college van B&W, na verkregen toestemming van de gemeenteraad. Dat de gemeente (onverplicht) advies heeft gevraagd en heeft gehandeld alsof het adviesrecht van de ondernemingsraad op het besluit van toepassing is, heeft niet tot gevolg dat de ondernemingsraad tegen dit besluit met vrucht beroep in kan stellen.

1 2 3 18

Zoek uitspraak

Filter uitspraken

Nieuwsbrief

Meer informatie