HomeActueelPublicatiesDe OR en zijn positie bij de uitleg en toepassing van een artikel uit een collectieve regeling

De OR en zijn positie bij de uitleg en toepassing van een artikel uit een collectieve regeling

Tussen Rijkswaterstaat (‘RWS’) en een van de ondernemingsraden binnen RWS (‘de OR’) estaat een verschil van mening over de uitleg en toepassing van een collectieve regeling over het roosteren binnen RWS. Uiteindelijk heeft de OR, bijgestaan door collega’s Dennis Schwartz en Jasper de Waard, de kantonrechter gevraagd hierover een oordeel te geven op grond van art. 28 lid 1 WOR (‘stimulerende taken’) in combinatie met art. 36 lid 2 WOR (de algemene geschillenregeling op grond van de WOR).

De kantonrechter overweegt allereerst dat de OR kan worden ontvangen in zijn verzoek om een oordeel te geven over de uitleg en toepassing van deze collectieve regeling. Hoewel de kantonrechter de verzoeken van de OR uiteindelijk afwijst omdat deze niet toewijsbaar zijn, geeft de kantonrechter (toch) een belangrijk inhoudelijk oordeel over het gebruik van reservediensten en de belangenafweging die hierbij moet plaatsvinden door de werkgever.

Binnen Rijkswaterstaat (‘RWS’) bestaan verschillende ondernemingen in de zin van art. 1 lid 1 sub c WOR. Eén van die ondernemingen betreft Verkeer- en Watermanagement, waar circa. 2.000 medewerkers werkzaam zijn en waarvan ca. 1.500 in een roosterdienst werken. Voor deze onderneming is een ondernemingsraad ingesteld (‘de OR’).

Al geruime tijd bestaat tussen RWS en de OR een verschil van mening over de uitleg en toepassing van een collectieve regeling over het roosteren binnen RWS. Deze collectieve regeling betreft de Leidraad Roosterdiensten (‘de Leidraad’), afgesproken door de bovenliggende Groepsondernemingsraad (‘GOR’) met RWS. Specifiek gaat het om art. 4.1 onder C van de Leidraad Roosterdiensten, waarin de mogelijkheid is opgenomen om roosterwijzigingen door te voeren nadat het maandelijks rooster bekend is gemaakt in combinatie met het gebruik van reservediensten. Concreet gaat de discussie om het verplaatsen van een reservedienst binnen een vastgesteld rooster als de voorafgaande reservedienst als nachtdienst wordt gewerkt.

De OR heeft namelijk klachten van medewerkers ontvangen dat reservediensten die indicatief als dagdienst zijn ingepland, volgens RWS kunnen worden verschoven in het geval de eerdere reservedienst een nachtdienst wordt en er volgens RWS geen behoefte is aan een daaropvolgende avond- of nachtdienst. Dat hieraan geen behoefte is, levert volgens RWS op zichzelf een dringend bedrijfsbelang op zoals omschreven in art. 4.1 onder C van de Leidraad.

De OR zag dit anders en heeft dit herhaaldelijk aan de orde gesteld in overleggen met en brieven aan RWS. Helaas leidde dit niet tot een gezamenlijke oplossing.

Uiteindelijk was de OR dan ook genoodzaakt om op 28 februari 2023 dit verschil van mening aan de kantonrechter voor te leggen, met het verzoek om een oordeel te geven over de toepassing van RWS van het ‘dringend bedrijfsbelang’. Dit verzoek werd gedaan op grond van art. 28 lid 1 WOR (‘stimulerende taken’) in combinatie met art. 36 lid 2 WOR (de algemene geschillenregeling op grond van de WOR).Op 30 mei 2023 heeft de kantonrechter uitspraak gedaan.

Allereerst overwoog de kantonrechter dat de OR kon worden ontvangen in zijn verzoek. RWS had namelijk als verweer gevoerd dat een OR geen bevoegdheid heeft om naar de kantonrechter te gaan op grond van art. 28 lid 1 WOR. Ook had RWS gesteld dat als er al een procedure kon worden gevoerd niet de OR, maar de GOR deze procedure had moeten voeren. De kantonrechter zag dit anders: de OR ingesteld voor de onderneming VWM kon de procedure over de uitleg en de toepassing van de Leidraad starten, ook omdat volgens de kantonrechter het begrijpelijk is dat individuele werknemers liever niet tegen hun werkgever procederen, terwijl de OR dit eenvoudiger en ook nog eens voor een groep werknemers kan doen. Hiermee zet de kantonrechter een ruime bevoegdheid neer voor ondernemingsraden om op te komen voor de belangen van hun achterban.

Inhoudelijk heeft de kantonrechter de verzoeken van de OR afgewezen, omdat deze volgens de kantonrechter niet toewijsbaar waren. Ook vond de kantonrechter dat onduidelijk was hoe vaak deze problemen voor komen.

Wat echter wel positief was, was het oordeel van de kantonrechter dat de OR terecht bezwaar maakte tegen de geconstateerde praktijk, waarbij een reservedienst standaard wordt verplaatst wanneer de voorafgaande reservedienst een nachtdienst wordt, er geen behoefte is aan een daaropvolgende late of nachtdienst en de betrokken medewerker die dag geen verlof opneemt. Deze gang van zaken is volgens de kantonrechter niet in lijn met vaste rechtspraak over het eenzijdig wijzigen van arbeidsvoorwaarden . Dit ziet de OR als een belangrijke bevestiging van zijn standpunt, ondanks dat de verzoeken zijn afgewezen.

Verder oordeelde de kantonrechter dat RWS zich bij toepassing van art. 4.1 onder C van de Leidraad steeds moet verdiepen in de vraag of in het concrete geval een dringend bedrijfsbelang roosterwijziging noodzakelijk maakt en hoe het werkgeversbelang bij een efficiënte inzet van het personeel zich verhoudt tot bet concrete belang dat de betrokken werknemer erbij heeft om, daags na de reservedienst die een nachtdienst wordt, te werken en dus om dan een late of nachtdienst te draaien. Daarvoor is volgens de kantonrechter essentieel dat hierover met de werknemer wordt gesproken en zijn belangen worden geïnventariseerd.

Tot slot heeft de kantonrechter RWS en de OR in overweging gegeven aan de hand van deze uitspraak hierover verder het overleg aan te gaan. Dit past goed in de gedachte achter de WOR, namelijk dat overleg tussen ondernemer en OR cruciaal wordt geacht.

Conclusie:
Deze uitspraak bevestigt de lijn van vooral lagere rechters dat een OR kan procederen op grond van art. 28 lid 1 WOR (‘stimulerende taken’), ook over de uitleg en toepassing van een collectieve regeling. De kantonrechter gaat hierin zelfs verder door expliciet te overwegen dat het begrijpelijk is dat individuele werknemers liever niet tegen hun werkgever procederen, terwijl de OR dit eenvoudiger en ook nog eens voor een groep werknemers kan doen. Hiermee zet de kantonrechter een ruime bevoegdheid neer voor ondernemingsraden om op te komen voor de belangen van hun achterban.

Hoewel de kantonrechter de verzoeken van de OR afwijst, wordt wel geoordeeld dat de OR terecht bezwaar maakte tegen de geconstateerde praktijk binnen RWS en dat deze gang van zaken niet in lijn is met vaste rechtspraak over het eenzijdig wijzigen van arbeidsvoorwaarden. Volgens de kantonrechter dient RWS zich bij toepassing van art. 4.1 onder C van de Leidraad steeds te verdiepen in de vraag of in het concrete geval een dringend bedrijfsbelang roosterwijziging noodzakelijk maakt en hoe het werkgeversbelang bij een efficiënte inzet van het personeel zich verhoudt tot bet concrete belang dat de betrokken werknemer erbij heeft om, daags na de reservedienst die een nachtdienst wordt, te werken en dus om dan een late of nachtdienst te draaien. Daarvoor is volgens de kantonrechter essentieel dat hierover met de werknemer wordt gesproken en zijn belangen worden geïnventariseerd.

Vindplaats:
https://uitspraken.rechtspraak.nl/#!/details?id=ECLI:NL:RBMNE:2023:2732

Deel dit artikel

Besproken rechtsgebieden

Lees meer over de auteurs

Hebt u een vraag?

Neem contact met ons op of laat uw gegevens achter, zodat we u kunnen bellen.

Laat ons u bellen